ECLI:NL:RBZWB:2026:2123

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
11634032 CV EXPL 25-1155 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Zander
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:89 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BWArt. 6:203 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering onverschuldigde betalingen en afwijzing factuurvordering in overeenkomst van opdracht

In deze civiele procedure staat een overeenkomst van opdracht tussen Terberg Benschop B.V. en [bedrijf] B.V. centraal, waarbij personeel werd gedetacheerd. Terberg vordert terugbetaling van facturen die zij onterecht heeft voldaan, omdat de werkzaamheden niet zijn verricht of niet op grond van de overeenkomst in rekening mochten worden gebracht. [bedrijf] vordert betaling van achterstallige facturen.

De rechtbank oordeelt dat Terberg onverschuldigd heeft betaald voor kosten van twee medewerkers en reistijd en reiskosten van overige medewerkers, omdat deze kosten niet op de overeenkomst van opdracht gebaseerd zijn. De klachtplicht ex artikel 6:89 BW Pro is niet van toepassing omdat Terberg tijdig heeft geprotesteerd na ontvangst van de facturen. De vordering van Terberg tot terugbetaling wordt daarom toegewezen met wettelijke rente en vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten.

De vordering van [bedrijf] tot betaling van achterstallige facturen wordt afgewezen omdat onvoldoende is gesteld en onderbouwd dat Terberg deze kosten verschuldigd is. Beide partijen worden veroordeeld in hun proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van Terberg tot terugbetaling van onverschuldigde facturen toe en wijst de vordering van [bedrijf] tot betaling van achterstallige facturen af.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11634032 \ CV EXPL 25-1155
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van
TERBERG BENSCHOP B.V.,
te Benschop,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Terberg ,
gemachtigde: mr. R. Reumkens,
tegen
[bedrijf] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [bedrijf] ,
gemachtigde: mr. L.H.A.M. Andriessen.

1.De zaak in het kort

1.1.
In deze zaak gaat het om het volgende. [bedrijf] heeft op grond van een tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht personeel aan Terberg ter beschikking gesteld. Terberg vordert in deze procedure (terug)betaling van facturen die zij ten onrechte aan [bedrijf] heeft voldaan. [bedrijf] vindt dat Terberg deze facturen wel aan haar verschuldigd is. Ook vordert [bedrijf] in reconventie betaling van achterstallig gebleven facturen.
1.2.
De kantonrechter wijst de vordering van Terberg toe en de vordering van [bedrijf] af. De kantonrechter legt dit oordeel hieronder uit.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 25 juni 2025;
- de conclusie van antwoord in reconventie;
- de brief van mr. Andriessen van 30 januari 2026 met 2 producties;
- de mondelinge behandeling van 9 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de pleitnotitie van mr. Reumkens;
- de pleitnotitie van mr. Andriessen.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Terberg heeft in augustus 2024 met [bedrijf] een (tweede) overeenkomst gesloten met betrekking tot het ter beschikking stellen van personeel van [bedrijf] aan Terberg (een zogenoemde detacheringsovereenkomst). De overeenkomst is aangegaan voor de periode van 2 september 2024 tot 2 september 2025.
3.2.
Terberg heeft op 16 oktober 2024 mondeling aan [bedrijf] medegedeeld dat zij de overeenkomst wil beëindigen, met inachtneming van de opzegtermijn van een maand. Terberg heeft de opzegging van de overeenkomst per 15 november 2024 bij brief van 26 oktober 2024 aan [bedrijf] bevestigd.
3.3.
Terberg heeft bij brief van 6 januari 2025 terugbetaling verzocht van een bedrag van € 20.625,35 exclusief btw. Tevens heeft Terberg in deze brief de verschuldigdheid van een bedrag van € 126.143,31 aan gefactureerde kosten betwist.
3.4.
De gemachtigde van Terberg heeft [bedrijf] bij brief van 30 januari 2025 tot betaling van een bedrag van € 21.757,81 (zijnde de hoofdsom van € 20.625,35, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke incassokosten) gesommeerd.

4.Het geschil

in conventie
4.1.
Terberg vordert -samengevat- veroordeling van [bedrijf] tot betaling van € 21.757,81, vermeerderd met rente en proceskosten.
4.2.
Terberg legt aan de vordering -samengevat- het volgende ten grondslag. [bedrijf] heeft in oktober 2024 en november 2024 een aantal facturen verzonden die niet aan de overeenkomst hebben beantwoord. [bedrijf] heeft deze facturen abusievelijk aan Terberg voldaan. Voor de werkzaamheden is ten onrechte een bedrag van € 16.299,- gefactureerd, omdat die werkzaamheden niet zijn verricht en [bedrijf] deze ook niet op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst aan haar in rekening mocht brengen. Ook stelt Terberg dat [bedrijf] zonder grondslag een bedrag van € 4.326,30 aan reiskosten en reisuren in rekening heeft gebracht. Terberg vordert (terug)betaling van die bedragen (totaal € 20.625,35) op grond van onrechtmatige daad dan wel onverschuldigde betaling. Tevens vordert Terberg [bedrijf] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over
€ 20.625,35 (tot en met 30 januari 2025 berekend op een bedrag van € 151,21) en betaling van de buitengerechtelijke incassokosten (€ 981,25 conform de staffel buitengerechtelijke incassokosten).
4.3.
[bedrijf] voert verweer. [bedrijf] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Terberg , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Terberg , met veroordeling van Terberg in de kosten van deze procedure.
4.4.
[bedrijf] voert -samengevat- het volgende aan. De facturen zijn terecht aan Terberg in rekening gebracht. Terberg heeft de facturen ook zonder protest ontvangen en betaald.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
4.6.
[bedrijf] vordert veroordeling van Terberg tot betaling van € 154.897,41, te vermeerderen met rente en proceskosten.
4.7.
[bedrijf] legt aan de vordering -samengevat- het volgende ten grondslag. [bedrijf] heeft in opdracht en voor rekening van Terberg werkzaamheden verricht. [bedrijf] heeft hiervoor facturen aan Terberg gezonden die Terberg zonder protest heeft ontvangen. Terberg heeft ondanks aanmaningen nagelaten de hiermee gemoeide kosten aan [bedrijf] te voldoen.
4.8.
Terberg voert verweer. Terberg concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [bedrijf] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [bedrijf] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [bedrijf] in de kosten van deze procedure.
4.9.
Terberg voert -samengevat- het volgende aan. Terberg betwist dat zij de gevorderde facturen op grond van een overeenkomst aan [bedrijf] verschuldigd is. Ook betwist Terberg dat de in de facturen genoemde werkzaamheden door [bedrijf] zijn verricht.
4.10.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

in conventie
Onverschuldigde betaling
5.1.
Terberg legt -onder meer- aan haar vordering ten grondslag dat zij de door haar gevorderde facturen heeft voldaan, zonder dat hieraan een overeenkomst ten grondslag ligt.
5.2.
In de wet is bepaald dat degene die een ander zonder rechtsgrond een goed heeft gegeven, gerechtigd is dit van de ontvanger als onverschuldigd betaald terug te vorderen. Voor een onverschuldigde betaling van een geldsom betekent dit een vordering tot teruggave van een gelijk bedrag [1] . Een betaling is derhalve alleen onverschuldigd, indien er op het moment van betaling geen rechtsverhouding aanwijsbaar is die de betaling rechtvaardigt.
5.3.
Tussen partijen is in geschil of [bedrijf] op grond van een tussen partijen bestaande rechtsverhouding gerechtigd was om de kosten met betrekking tot “ [naam 1] en [naam 2] ” en de reistijd en reiskosten van ingehuurde medewerkers aan Terberg in rekening te brengen. De kantonrechter zal deze kosten hierna afzonderlijk bespreken.
Kosten van [naam 1] en [naam 2]
5.4.
Terberg vordert (terug)betaling van door [bedrijf] gefactureerde kosten betreffende “werkzaamheden [naam 1] en [naam 2] ”. Terberg stelt dat [bedrijf] hiervoor ten onrechte een (totaal)bedrag van € 16.299,- aan haar in rekening heeft gebracht.
5.5.
[bedrijf] stelt in haar verweer dat zij deze kosten wel terecht aan Terberg in rekening heeft gebracht, omdat de werkzaamheden zijn verricht en partijen ook zijn overeengekomen dat [bedrijf] de hiermee gemoeide kosten aan Terberg mocht factureren. Dat partijen dit zijn overeengekomen volgt volgens [bedrijf] uit de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht, dan wel uit nadien tussen partijen gemaakte afspraken.
5.6.
Voor beantwoording van de vraag of [bedrijf] de kosten van [naam 1] en [naam 2] op grond van de overeenkomst van opdracht aan Terberg in rekening mocht brengen is in de eerste plaats van belang wat de overeenkomst van opdracht bepaalt ten aanzien van het in rekening brengen van uren.
5.7.
In de overeenkomst van opdracht is -voor zover van belang- het volgende bepaald:
- artikel 1.1 aanhef en onder b: “
In deze overeenkomst wordt verstaan onder: (b) Regietarief: het vaste uurtarief dat tussen partijen is overeengekomen voor ieder door een werknemer van uitlener voor inlener gewerkt ‘standaard’ uur exclusief btw.”
- artikel 4.1: “
Voor ieder door de ter beschikking gestelde werknemer bij inlener gewerkt ‘standaard’ uur, betaalt inlener aan uitlener € 42,50 exclusief BTW (..).
5.8.
De overeenkomst van opdracht bevat geen definitie of nadere omschrijving van het begrip ‘standaard’ uur. Ter zitting is gebleken dat beide partijen dezelfde uitleg geven aan het begrip ‘standaard’ uur, te weten elk uur dat een medewerker van [bedrijf] in de normale werktijden -dat wil zeggen zonder overwerk- voor Terberg werkt. Tussen partijen is ook niet in geschil dat op grond van de overeenkomst van opdracht alleen de standaard uren die een medewerker van [bedrijf] in de assemblagehal van Terberg heeft gewerkt voor vergoeding in aanmerking komen en Terberg toezicht hield op de verrichte werkzaamheden.
5.9.
De heer [naam 2] (directeur/eigenaar van [bedrijf] , verder: [naam 2] ) heeft ter zitting verklaard dat hij zelf geen werkzaamheden in de hal van Terberg heeft verricht. Voor zover de facturen zien op kosten [naam 2] komen deze kosten op grond van de overeenkomst van opdracht dan ook niet voor vergoeding in aanmerking. [naam 2] heeft ook ter zitting verklaard dat [naam 1] wel assemblagewerkzaamheden in de bedrijfshal van Terberg heeft verricht. Terberg heeft dit gemotiveerd weersproken. Terberg stelt dat [naam 1] in die periode niet als medewerker was geregistreerd, hij geen badge heeft ontvangen, hij niet heeft in- en uitgeklokt en er ten aanzien van de gefactureerde werkzaamheden ook geen enkele door Terberg goedgekeurde urenstaten zijn. De kantonrechter overweegt dat [bedrijf] ook niet heeft gesteld op welke dagen en uren [naam 1] assemblagewerkzaamheden in de bedrijfshal van Terberg zou hebben verricht en op welk deel van de facturen die kosten betrekking hebben. De kantonrechter is op grond van het vorenstaande van oordeel dat [bedrijf] onvoldoende heeft onderbouwd dat Terberg de kosten van [naam 1] op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht verschuldigd is.
5.10.
De kantonrechter overweegt ook dat niet vaststaat dat partijen na het sluiten van de overeenkomst van opdracht aanvullende afspraken hebben gemaakt op grond waarvan [bedrijf] de in het geding zijnde kosten van [naam 1] en [naam 2] aan Terberg in rekening mocht brengen. [bedrijf] heeft weliswaar ter zitting gesteld dat hij hierover met de heer G.J. Verheij (manager final assembly bij Terberg , verder de heer Verheij) gesproken heeft, maar [bedrijf] heeft ter zitting ook erkend dat partijen hierover geen afspraken hebben gemaakt, omdat de heer Verheij hier negatief op reageerde. Dat er tussen partijen een aanvullende overeenkomst tot stand is gekomen is dan ook onvoldoende gesteld.
5.11.
Nu niet is komen vast te staan dat Terberg op grond van een tussen partijen bestaande rechtsverhouding gehouden was de uren van [naam 1] en [naam 2] aan [bedrijf] te voldoen bestaat er voor Terberg evenmin een verplichting tot betaling van de door [bedrijf] in rekening gebrachte reistijd en reiskosten met betrekking tot [naam 1] en [naam 2] . Door [bedrijf] is niet betwist dat het om een totaalbedrag van € 16.299,- gaat. Het voorgaande betekent dat Terberg zonder deugdelijke grondslag een bedrag van € 16.299,- aan [bedrijf] heeft voldaan en Terberg in beginsel recht heeft op (terug)betaling van dit bedrag.
Reistijd en reiskosten overige medewerkers
5.12.
[bedrijf] heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld dat partijen zijn overeengekomen dat [bedrijf] de door haar gefactureerde reistijd en reiskosten aan Terberg in rekening mocht brengen. Het voorgaande betekent dat Terberg deze kosten zonder deugdelijke grondslag aan [bedrijf] heeft voldaan. Nu [bedrijf] ook niet de hoogte van die kosten heeft weersproken is het door Terberg gevorderde bedrag van
€ 4.326,30 als onverschuldigd betaald in beginsel ook toewijsbaar.
Klachtplicht artikel 6:89 BW Pro
5.13.
[bedrijf] stelt dat Terberg op grond van artikel 6:89 BW Pro [2] geen beroep meer kan doen op een vermeende onjuistheid van de facturen, omdat zij hiertegen niet tijdig, dat wil zeggen binnen de betalingstermijn van 30 dagen, geprotesteerd heeft. [bedrijf] stelt dat uit vaste jurisprudentie [3] volgt dat Terberg binnen de betalingstermijn had moeten protesteren tegen de juistheid van de facturen.
5.14.
Dhr. [naam 3] (HR-manager bij Terberg ) heeft onweersproken ter zitting verklaard dat hij in de periode tussen kerst en oud- en nieuwjaar van de financiële administratie de beschikking heeft gekregen over de door [bedrijf] in reconventie gevorderde facturen en hij hierop de juistheid van deze facturen en de eerder door [bedrijf] in rekening gebrachte facturen heeft onderzocht. Terberg heeft vervolgens bij brief van 6 januari 2025 de juistheid van een gedeelte van de eerder door haar betaalde facturen en de in reconventie gevorderde facturen betwist.
5.15.
De kantonrechter overweegt in de eerste plaats dat niet in rechte kan worden vastgesteld dat Terberg te laat, dat wil zeggen na het verstrijken van de betalingstermijn van de facturen, bij [bedrijf] heeft geklaagd over de juistheid van de in rekening gebrachte facturen. [bedrijf] stelt in dit kader alleen dat zij de facturen naar het e-mailadres van de financiële administratie van Terberg heeft gezonden. Gesteld noch gebleken is wanneer [bedrijf] dit heeft gedaan. Dat partijen de door [bedrijf] gestelde betalingstermijn van 30 dagen zijn overeengekomen wordt door Terberg betwist en blijkt ook niet uit de overgelegde overeenkomst van opdracht.
5.16.
Wat daar verder van zij, uit het door [bedrijf] in rechtsonderdeel 5.13 genoemde arrest van de Hoge Raad van 11 mei 2001 volgt juist dat het opstellen en het toezenden van een factuur niet kunnen gelden als een in artikel 6:89 BW Pro genoemde prestatie, zodat artikel 6:89 BW Pro in dit geval ook toepassing mist.
Betalingen
5.17.
[bedrijf] stelt ook dat de in het geding zijnde facturen zonder het maken van een voorbehoud door Terberg zijn voldaan. Voor zover [bedrijf] stelt dat Terberg hiermee ook de juistheid van de door [bedrijf] in rekening gebrachte bedragen heeft erkend overweegt de kantonrechter dat dit niet uit de enkele betalingen volgt. Terberg heeft in de dagvaarding gesteld en ter zitting toegelicht dat een medewerker van de financiële administratie gezien de ondertekende urenstaten te goeder trouw tot betaling van die facturen is overgegaan. Eerst na ontvangst van de in reconventie gevorderde facturen heeft Terberg de juistheid van de eerdere facturen onderzocht, waarna zij bij gebleken onjuistheid daarvan [bedrijf] tot terugbetaling van die facturen heeft verzocht.
Conclusie
5.18.
Het voorgaande betekent dat een bedrag van € 20.625,30 (€ 16.299,- + € 4.326,30 ( Terberg heeft abusievelijk een bedrag van € 20.625,35 aan hoofdsom gevorderd)) als onverschuldigd betaald toewijsbaar is. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen nadere bespreking meer, nu dit in het licht van hetgeen in dit vonnis is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing kan leiden.
Wettelijke rente
5.19.
Terberg vordert de wettelijke rente over de gevorderde hoofdsom. De kantonrechter kan uit (het petitum van) de dagvaarding niet afleiden of het om wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro of wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW gaat. Uit de als productie 6 bij dagvaarding overgelegde brief van de gemachtigde van Terberg van 30 januari 2025 lijdt de kantonrechter af dat het gevorderde bedrag van € 151,21 is gebaseerd op wettelijke handelsrente tot en met 30 januari 2025. De kantonrechter dient ambtshalve de toewijsbaarheid van de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW te onderzoeken [4] .
Uit de heersende leer in de jurisprudentie volgt dat de wettelijke handelsrente niet op een vordering uit onverschuldigde betaling ziet [5] . De kantonrechter zal dan ook de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro toewijzen over de hoofdsom van € 20.625,30.
Nu [bedrijf] wist, althans behoorde te weten dat de betaling zonder grondslag was, is [bedrijf] zonder ingebrekestelling in verzuim [6] . De gevorderde rente zal dan ook worden toegewezen als nader in het dictum van het vonnis omschreven.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.20.
Terberg vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Terberg heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Terberg heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 981,25 worden toegewezen.
Proceskosten
5.21.
[bedrijf] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Terberg worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,35
- griffierecht
1.461,00
- salaris gemachtigde
1.154,00
(2 punten × € 577,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.881,35
5.22.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
Facturen
5.23.
[bedrijf] stelt dat zij in opdracht en voor rekening van Terberg werkzaamheden heeft verricht. [bedrijf] heeft hiervoor in de periode van 11 november 2024 tot en met 23 december 2024 facturen aan Terberg gezonden die Terberg aanvankelijk zonder protest heeft behouden. Terberg heeft nagelaten de hiermee gemoeide kosten, totaal € 154.897,41 aan [bedrijf] te voldoen.
5.24.
Terberg betwist dat zij deze kosten op grond van een tussen partijen gesloten overeenkomst aan [bedrijf] verschuldigd is. Ook betwist Terberg de juistheid van de in de facturen genoemde posten.
5.25.
In conventie is reeds overwogen dat partijen een overeenkomst van opdracht hebben gesloten op grond waarvan Terberg alleen gehouden was de standaard uren die een medewerker van [bedrijf] in de assemblagehal van Terberg heeft gewerkt aan [bedrijf] te vergoeden en de door [naam 1] en [naam 2] gefactureerde kosten daar niet onder vallen. Ook is in conventie overwogen dat niet in rechte is komen vast te staan dat partijen nadien nog aanvullende afspraken met elkaar hebben gemaakt over extra vergoedingen.
5.26.
Nu [bedrijf] onvoldoende gemotiveerd weersproken heeft gesteld dat Terberg de door haar gefactureerde kosten op grond van de tussen partijen gesloten -en per 15 november 2024 beëindigde- overeenkomst van opdracht dan wel op grond van de wet aan haar verschuldigd is acht de kantonrechter de vordering in reconventie niet toewijsbaar. Voor zover [bedrijf] zich op de klachtplicht als bedoeld in artikel 6:89 BW Pro beroept verwijst de kantonrechter naar hetgeen reeds in de onderdelen 5.15 en 5.16 in conventie is overwogen.
Proceskosten
5.27.
[bedrijf] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van Terberg worden begroot op € 1.010,00 (2 punten × factor 0,5 ×
€ 1.010,00) aan salaris gemachtigde.

6.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
6.1.
veroordeelt [bedrijf] om aan Terberg te betalen een bedrag van € 21.606,55 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 20.625,30 steeds vanaf de datum van betaling van de afzonderlijke factuurbedragen door Terberg tot de dag van volledige (terug)betaling door [bedrijf] ,
6.2.
veroordeelt [bedrijf] in de proceskosten van € 2.881,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [bedrijf] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [bedrijf] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
in reconventie
6.6.
wijst de vorderingen van [bedrijf] af,
6.7.
veroordeelt [bedrijf] in de proceskosten van € 1.010,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [bedrijf] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.8.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:203 lid 1 en Pro lid 2 BW
2.De schuldeiser kan op een gebrek in de prestatie geen beroep meer doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de schuldenaar terzake heeft geprotesteerd.
3.HR 11-05-2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1565
4.HR 22-04-2022, ECLI:NL:HR:2022:596
5.HR 30-10-2020, ECLI:NL:HR:2020:1710
6.6:205 BW