Belanghebbende exploiteerde een eenmanszaak in gebruikte duurdere auto's van april 2016 tot juli 2020, waarna de onderneming werd ingebracht in een besloten vennootschap. De Belastingdienst voerde een controle uit op de aangiften inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en omzetbelasting over de jaren 2018 tot medio 2020. Naar aanleiding van deze controle werden navorderingsaanslagen en naheffingsaanslagen opgelegd, waartegen belanghebbende bezwaar maakte.
De inspecteur gaf een informatiebeschikking op grond van artikel 52a AWR vanwege ernstige gebreken in de administratie, waaronder het ontbreken van een kasboek, onvolledige crediteuren- en debiteurenadministratie en onjuiste verwerking van verkoopfacturen. Belanghebbende voerde aan dat de informatiebeschikking onterecht was, dat het controlerapport onjuist en vooringenomen was en dat de controle ongeschikt was vanwege de gehanteerde eindbalans.
De rechtbank oordeelde dat de informatiebeschikking terecht was gegeven omdat de administratie niet voldeed aan de wettelijke plichten en dat belanghebbende onvoldoende had meegewerkt om de administratie op orde te brengen. De rechtbank verwierp de stellingen over onjuistheden en vooringenomenheid in het controlerapport en wees erop dat het niet aan de inspecteur of rechtbank is om de administratie aan te vullen. Het beroep tegen de naheffingsaanslagen werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet gericht was tegen die aanslagen.
De rechtbank gaf belanghebbende een termijn van zes weken om de geconstateerde gebreken in de administratie te herstellen en wees een verzoek tot vergoeding van proceskosten af. Het beroep werd daarmee deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.