ECLI:NL:RBZWB:2026:213

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
23/11273
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 30 oktober 2023. De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 5.277 aan verschuldigde Bpm, en heeft gelijktijdig € 54 belastingrente in rekening gebracht. Het bezwaar van belanghebbende tegen deze naheffingsaanslag is door de inspecteur ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 behandeld, waarbij belanghebbende werd vertegenwoordigd door mr. M.U. Sahin en de inspecteur door twee inspecteurs.

De rechtbank heeft beoordeeld of de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking terecht zijn opgelegd. De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking vernietigd dienen te worden. Belanghebbende had op 21 maart 2022 aangifte gedaan voor de registratie van een Ford Mustang Shelby GT 350 en een bedrag aan Bpm voldaan. De inspecteur had de verschuldigde belasting op basis van een forfaitaire afschrijvingstabel berekend en de naheffingsaanslag opgelegd. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de naheffingsaanslag ten onrechte aan hem is opgelegd, omdat de inschrijving van de auto op naam van een ander bedrijf heeft plaatsgevonden.

De rechtbank concludeert dat de naheffingsaanslag ten onrechte aan belanghebbende is opgelegd, omdat de inschrijving van de auto door een ander bedrijf is gedaan. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar, de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking. Tevens wordt de Staat veroordeeld tot het betalen van een immateriële schadevergoeding van € 1.000 aan belanghebbende vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank kent ook een proceskostenvergoeding van € 1.868 toe aan belanghebbende.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11273
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 20 januari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, verbonden aan Bothof Services B.V.),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 30 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 5.277 aan verschuldigde Bpm.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende € 54 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking terecht en tot de juiste bedragen aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking vernietigd dienen te worden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op 21 maart 2022, op eigen naam aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Ford Mustang Shelby GT 350 met VIN-nummer [nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 12.823. In de aangifte is de vraag 3a “
Hebt u de RDW gevraagd het motorrijtuig in te schrijven in het kentekenregister, of bent u de tenaamgestelde van een bestelauto?” bevestigend beantwoord door middel van het zetten van een kruis. Het vakje met de tekst “
U hebt iemand anders gemachtigd om het kenteken aan te vragen en u hebt een machtiging afgegeven zoals genoemd bij vraag 5.” is niet aangevinkt.
4.1.
De inspecteur heeft de verschuldigde belasting op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel berekend op € 18.100 en de naheffingsaanslag opgelegd.
4.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. In bezwaar heeft belanghebbende aangevoerd dat het taxatierapport als bewijs kan dienen voor het berekenen van de handelsinkoopwaarde en heeft hij een beroep gedaan op de herleidingsmethode en gesteld dat de naheffingsaanslag daarom vernietigd moet worden.
4.3.
Het bezwaar van belanghebbende is ongegrond verklaard.
4.4.
Hangende de beroepsfase heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat de naheffingsaanslag ten onrechte aan hem is opgelegd. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft belanghebbende een nader stuk overgelegd, zijnde een brief van de RDW gericht aan [bedrijf] B.V. ( [bedrijf] ) met als onderwerp ‘Bevestiging van inschrijving’ met betrekking tot de auto. De datum van afgifte van inschrijving is 24 maart 2022.

Motivering

Beoordelingskader
4.5.
De ter zake van de inschrijving niet op aangifte voldane belasting kan op de grond van artikel 20, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) worden nageheven. Ingevolge artikel 20, tweede lid van de AWR geschiedt deze naheffing bij wege van naheffingsaanslag. Deze naheffingsaanslag wordt opgelegd aan degene die, voor zover hier van belang, de belasting had behoren te betalen.
4.6.
Artikel 5, lid 1, van de Wet BPM bepaalt dat ter zake van de inschrijving, wijziging van de inschrijving of herinschrijving de belasting wordt geheven van degene die de inschrijving, wijziging van de inschrijving of herinschrijving aanvraagt.
4.7.
In artikel 7 van de Wet BPM staat dat degene die voor een personenauto een aanvraag doet voor de inschrijving, gehouden is daarbij voor dat motorrijtuig het bedrag aan belasting ingevolge de artikelen 9 tot en met 9c van de Wet BPM op te geven.
4.8.
In de memorie van toelichting in verband met de wijziging van het belastbaar feit van de tenaamstelling naar de inschrijving van een motorrijtuig per 1 januari 2022 is ook aan de orde gekomen wie de belastingplichtige is. Daarin staat, voor zover thans van belang, het volgende [1] :

In het eerste lid van genoemd artikel 5 wordt de hoofdregel geformuleerd dat – ter zake van de inschrijving – degene die om inschrijving verzoekt de belastingplichtige is. Aldus is verzekerd dat er
voor iedere inschrijving een belastingplichtige is aangewezen. Dat is in het bijzonder van belang als een ingeschreven motorrijtuig niet op naam zou worden gesteld. De uitzondering op deze hoofdregel heeft betrekking op de situatie dat degene die de aanvraag doet voor de inschrijving niet degene is op wiens naam het motorrijtuig wordt gesteld. De tenaamgestelde is dan de belastingplichtige en niet degene die om inschrijving verzocht. Hierbij is van belang dat als, op grond van artikel 7 Wet BPM
1992, een personenauto of motorrijwiel wordt ingeschreven door iemand anders dan degene op wiens naam het motorrijtuig in het kentekenregister wordt gesteld, degene die de personenauto of het motorrijwiel inschrijft de belasting op aangifte moet voldoen namens degene op wiens naam het motorrijtuig wordt gesteld. De huidige systematiek bij personenauto’s en motorrijwielen, waarbij degene die de inschrijving aanvraagt ook de betaling en aangifte doet, blijft daarmee materieel ongewijzigd.
4.9.
Verder is destijds in de parlementaire geschiedenis het volgende opgemerkt [2] :
“Het is om die reden wenselijk dat degene die de inschrijving verzoekt de belastingplichtige is voor de bpm, ook al handelt deze daarbij in veel gevallen in naam en voor rekening van een ander op wiens naam het motorrijtuig wordt gesteld in het kentekenregister in het kader van de registratie van dat motorrijtuig. Deze aanpassing voorkomt onduidelijkheden en juridische complicaties in de bpm.
(…)
Daarnaast biedt het voorstel duidelijkheid dat direct bij inschrijving helder is wie de belastingplichtige voor de bpm is: dat is degene die de inschrijving aanvraagt. Hierbij is het voor de bpm, anders dan voor de btw, niet van belang dat deze inschrijving ook plaats kan vinden in naam en voor rekening van de koper. De belastingplichtige voor de bpm verandert dan ook niet als het voertuig op naam van iemand anders wordt gesteld.
Naheffingsaanslag
4.10.
De inspecteur is van mening dat de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Ter zitting heeft de inspecteur zijn standpunt nader toegelicht en gesteld dat belanghebbende vanaf 31 maart 2022 de enige kentekenhouder is. Volgens de inspecteur heeft [bedrijf] in opdracht van belanghebbende de auto ingevoerd zodat de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd.
4.11.
Belanghebbende is van mening dat nu uit de bevestiging van inschrijving van de RDW volgt dat de inschrijving op naam van [bedrijf] heeft plaatsgevonden, de naheffingsaanslag niet aan belanghebbende had kunnen worden opgelegd en om die reden vernietigd dient te worden.
4.12.
De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat de inschrijving van de auto heeft plaatsgevonden door [bedrijf] . De omstandigheid dat dit mogelijk gebeurd is in opdracht van belanghebbende, is niet relevant voor de belastingheffing (zie 4.7 t/m 4.9). Dit brengt mee dat de belasting ter zake van de inschrijving niet van belanghebbende kan worden nageheven. [3] De naheffingsaanslag is derhalve ten onrechte aan belanghebbende opgelegd.
Belastingrente
5. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Nu de met de belastingrentebeschikking samenhangende naheffingsaanslag zal worden vernietigd, zal de rechtbank de belastingrentebeschikking ook vernietigen.
Immateriële schadevergoeding
5.1.
Belanghebbende heeft ter zitting verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 22 mei 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 20 januari 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 8 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.000.
5.3.
Omdat de bezwaarfase afgerond 6 maanden heeft geduurd komt de overschrijding volledig voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.
6.2.
Deze vergoeding bedraagt € 1.868 [4] omdat de gemachtigde van belanghebbende een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. De rechtbank zal geen kostenvergoeding toekennen voor de bezwaarfase. Belanghebbende heeft zelf ten onrechte in de aangifte vermeld dat hij de belastingplichtige is en heeft pas in beroep het stuk heeft ingebracht hetgeen aanleiding is voor de vernietiging van de naheffingsaanslag (zie 4.4). Gelet hierop is geen sprake van een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid. De inspecteur mocht uitgaan van de informatie die belanghebbende in de aangifte heeft verstrekt. Hij hoefde daaraan niet te twijfelen of navraag te doen bij de RDW. Voor de beroepsfase wordt wel een vergoeding toegekend, omdat het niet uitsluitend aan de handelswijze van belanghebbende te wijten is dat beroep is ingesteld. De inspecteur neemt namelijk ook na ontvangst van de juiste informatie het standpunt in dat belanghebbende als belastingplichtige moet worden aangemerkt. Hieruit leidt de rechtbank af dat als de informatie al in bezwaar was verstrekt, de inspecteur hetzelfde standpunt had ingenomen en nog steeds een beroepsprocedure over dit punt nodig was. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de naheffingsaanslag en de daarmee samenhangende belastingrentebeschikking;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.000;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan belanghebbende;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 20 januari 2026.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Kamerstukken II 2020/21, 35572, nr. 3 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35572-22.html?idp=http%3A%2F%2Fsignin.rechtspraak.nl%2Fadfs%2Fservices%2Ftrust).
2.Kamerstukken II 2020/21, 35572, nr. 22, p. 3-5 (NvW III).
3.Vgl. Hoge Raad 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE3220.
4.2 punten x € 934 per punt x wegingsfactor 1.