ECLI:NL:RBZWB:2026:2131

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
C/02/431103 / HA ZA 25-49 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • De Vlieger
  • Römers
  • Van den Broek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Rome II-verordeningArt. 3 Rome II-verordeningArt. 14 Rome II-verordeningArt. 2:9 BWArt. 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bestuurdersaansprakelijkheid en opheffing beslag in franchisegeschil

RaS Nederland, franchisegever van de formule 'Recruit a Student', vordert €150.000,- van [persoon], voormalig indirect bestuurder van twee franchisenemers, wegens schending van non-concurrentiebedingen. [persoon] betwist persoonlijke aansprakelijkheid en vordert opheffing van het conservatoir beslag op zijn woonhuis.

De rechtbank beoordeelt de vorderingen in twee zaken: zaak I betreft RaS België en zaak II RaS Haaglanden. RaS Nederland baseert haar vorderingen op bestuurdersaansprakelijkheid wegens onrechtmatige daad, waarbij een persoonlijk ernstig verwijt aan [persoon] moet worden bewezen. De rechtbank stelt vast dat RaS Nederland onvoldoende concrete feiten en bewijs heeft gesteld om de schendingen en het persoonlijk ernstig verwijt aan te tonen.

Daarnaast is vastgesteld dat de vennootschappen zelf aansprakelijk zijn en dat RaS Nederland geen pogingen heeft gedaan om de boetes bij de vennootschappen te verhalen. De vorderingen worden daarom afgewezen. Het conservatoir beslag op het woonhuis van [persoon] wordt opgeheven omdat zijn belangen zwaarder wegen dan die van RaS Nederland, die haar belangen onvoldoende heeft onderbouwd.

RaS Nederland wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van [persoon], waarbij een dubbel liquidatietarief wordt toegepast wegens herhaalde schending van de stelplicht. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Vorderingen bestuurdersaansprakelijkheid afgewezen en beslag op woonhuis opgeheven wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/431103 / HA ZA 25-49
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van
RECRUIT A STUDENT PERSONEELSDIENSTEN BV,
te Breda,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: RaS Nederland,
advocaat: mr. F.F.J. Froger,
tegen
[persoon],
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [persoon] ,
advocaat: mr. M. Franke.

1.De zaak in het kort

1.1.
RaS Nederland is een franchiseorganisatie. [persoon] is bestuurder geweest van twee franchisenemers. Volgens RaS Nederland hebben beide franchisenemers een overeengekomen non-concurrentiebeding geschonden. RaS Nederland stelt dat [persoon] als (indirect) bestuurder van deze beide franchisenemers aansprakelijk is voor (de gevolgen van) deze schendingen. RaS Nederland vordert € 150.000,00 van [persoon] .
1.2.
[persoon] betwist dat hij persoonlijk aansprakelijk is. In reconventie vordert hij opheffing van het ten laste van hem gelegde conservatoire beslag.
1.3.
Volgens RaS Nederland moet de vordering in conventie worden toegewezen en moet het beslag dus blijven liggen.
1.4.
De rechtbank wijst de vorderingen van RaS Nederland af. De vordering van [persoon] tot opheffing van het beslag wordt toegewezen. Hieronder legt de rechtbank haar beslissing uit.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
 het tussenvonnis van 16 juli 2025 en de daarin genoemde stukken
 een B8 formulier met bijbehorend productieoverzicht en aanvullende productie 29 namens [persoon]
 de mondelinge behandeling van 16 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
 de tijdens de mondelinge behandeling namens RaS Nederland voorgedragen spreekaantekeningen van mr. Froger
 de tijdens de mondelinge behandeling namens [persoon] voorgedragen spreekaantekeningen van mr. Franke en mr. Relouw.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
In de processtukken wordt door partijen gesproken over zaak I en zaak II. De rechtbank zal daar in dit vonnis bij aansluiten.
De feiten in zaak I
3.2.
Recruit a Student Personeelsdiensten B.V. (hierna RaS Nederland) exploiteert een franchiseformule onder de naam ‘Recruit a Student’.
3.3.
RaS Nederland heeft per 1 januari 2016 een franchiseovereenkomst gesloten met BVBA Recruit a Student projectmanagement te Antwerpen (hierna RaS België). Deze overeenkomst had een looptijd van vijf jaren. [1] Na de looptijd zijn partijen blijven samenwerken.
3.4.
[persoon] was via zijn persoonlijke holding (indirect) bestuurder van RaS België.
3.5.
In artikel 19 van Pro de franchiseovereenkomst zijn de gevolgen van een beëindiging van de franchiseovereenkomst geregeld en in artikel 20 zijn Pro een geheimhoudingsbeding en een non-concurrentiebeding opgenomen. Verder kent de franchiseovereenkomst in artikel 25 een Pro boeteclausule op grond waarvan bij overtreding van (onder meer) artikel 19 en Pro 20 de franchisenemer een direct opeisbare boete van € 25.000,00 verbeurt aan de franchisegever.
3.6.
Vanaf juli 2023 is [persoon] ziek geweest, waardoor hij niet langer in staat was de leiding over RaS België uit te oefenen. RaS Nederland, in de persoon van een van haar bestuurders, de heer [naam], heeft tijdens de ziekte van [persoon] de leiding binnen RaS België op zich genomen.
3.7.
In een brief van 31 mei 2024 heeft RaS Nederland de franchiseovereenkomst met RaS België per direct ontbonden omdat er volgens RaS Nederland sprake was van fraude. [2]
3.8.
RaS België en [persoon] hebben de gestelde fraude en de rechtsgeldigheid van de ontbinding meermaals betwist. [3]
3.9.
Op 14 augustus 2024 heeft RaS Nederland [persoon] persoonlijk aansprakelijk gesteld voor schending van het non-concurrentiebeding door RaS België en aanspraak gemaakt op betaling van een boete.
3.10.
[persoon] heeft de boete niet betaald.
De feiten in zaak II
3.11.
Per 1 mei 2019 heeft RaS Nederland een franchiseovereenkomst gesloten met Recruit Haaglanden B.V. (hierna RaS Haaglanden) voor de duur van vijf jaren. [4] Deze franchiseovereenkomst is voor het einde van de looptijd in overleg beëindigd.
3.12.
[persoon] was via zijn persoonlijke holding, samen met twee andere personen, (indirect) bestuurder van RaS Haaglanden.
3.13.
In de franchiseovereenkomst tussen partijen staan in artikel 20 een Pro geheimhoudingbeding, een non-concurrentiebeding en een relatiebeding opgenomen. Verder kent de franchiseovereenkomst in artikel 25 een Pro boeteclausule op grond waarvan de franchisenemer bij overtreding van (onder meer) artikel 20 een Pro direct opeisbare boete van € 25.000,00 verbeurt aan de franchisegever.
3.14.
Bij e-mailbericht van 4 oktober 2024 heeft RaS Nederland de bestuurders van RaS Haaglanden aangeschreven en (hoofdelijk) aansprakelijk gesteld voor een tweetal overtredingen die RaS Haaglanden zou hebben begaan. [5] RaS Nederland vordert in dit e-mailbericht een bedrag van € 150.000,00 van de bestuurders.
3.15.
[persoon] is niet tot betaling van (een gedeelte van) het gevorderde bedrag overgegaan.
3.16.
Op 7 november 2024 is, voor zowel de vordering uit zaak I als de vordering uit zaak II, beslag gelegd op het woonhuis van [persoon] . [6]

4.Het geschil

in conventie
4.1.
Na vermeerdering van eis vordert RaS Nederland– samengevat en bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [persoon] tot betaling van een bedrag van € 150.000,00, te vermeerderen met wettelijke rente. Verder vordert RaS Nederland dat [persoon] wordt veroordeeld in de proceskosten, waaronder begrepen de beslagkosten.
4.2.
[persoon] voert verweer. [persoon] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van RaS Nederland, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van RaS Nederland in de volledige kosten van deze procedure, te vermeerderen met wettelijke rente bij niet tijdige betaling.
4.3.
De rechtbank gaat hierna bij de beoordeling in op de standpunten die partijen ter onderbouwing van de vorderingen en het verweer daartegen hebben aangevoerd.
in reconventie
4.4.
[persoon] vordert – samengevat en bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – het door RaS Nederland ten laste van [persoon] gelegde beslag op te heffen en veroordeling van RaS Nederland in de volledige kosten van deze procedure, te vermeerderen met wettelijke rente bij niet tijdige betaling.
4.5.
RaS Nederland voert verweer. RaS Nederland concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [persoon] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon] in de kosten van deze procedure.
4.6.
De rechtbank gaat hierna bij de beoordeling in op de standpunten die partijen ter onderbouwing van de vorderingen en het verweer daartegen hebben aangevoerd.

5.De beoordeling

in conventie
Zaak I: de vordering wordt afgewezen
De standpunten van partijen
5.1.
RaS Nederland houdt [persoon] als bestuurder aansprakelijk voor door RaS Nederland geleden schade. In de dagvaarding stelt RaS Nederland dat sprake is van minimaal vier overtredingen van het tussen RaS Nederland en RaS België overeengekomen non-concurrentiebeding. [persoon] is persoonlijk aansprakelijk voor de verbeurde boetes voor een bedrag van € 100.000,00 omdat [persoon] een viertal klanten van RaS België heeft overgedragen aan een andere onderneming.
5.2.
[persoon] heeft in de conclusie van antwoord betwist dat het non-concurrentiebeding is overtreden. Ter zitting heeft hij erop gewezen dat de verwijten die aan zijn adres worden gemaakt allemaal betrekking hebben op de periode na de beëindiging van de franchiseovereenkomst, terwijl Ras Nederland de feitelijke bedrijfsvoering van RaS België vóór die datum al volledig had overgenomen. Verder heeft hij de door RaS Nederland gestelde overtredingen gemotiveerd weersproken.
Het oordeel van de rechtbank
5.3.
[persoon] wordt aangesproken als (indirect) bestuurder van een RaS België, een in België gevestigde vennootschap. Daardoor is er sprake van een internationaal aspect. De rechtbank zal om die reden eerst beoordelen welk recht van toepassing is.
5.4.
De rechtbank stelt vast dat RaS Nederland haar vorderingen tegenover [persoon] baseert op bestuurdersaansprakelijkheid als vorm van onrechtmatige daad. Dat betekent dat de vorderingen een niet-contractuele grondslag hebben in de zin van artikel 1 van Pro de Verordening (EG) nr. 864/2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (hierna Rome II-verordening). De bepaling van het toepasselijk recht moet daarom plaatsvinden aan de hand van de Rome II-verordening. Die verordening heeft volgens artikel 3 een Pro universeel karakter, wat betekent dat het door de verordening aangewezen recht van toepassing is, ongeacht of dit het recht van een lidstaat is. RaS Nederland heeft in de stukken steeds een beroep gedaan op het Nederlandse recht. [persoon] heeft in de stukken geen verweer gevoerd tegen de toepassing van het Nederlandse recht door RaS Nederland. Ter zitting heeft [persoon] bevestigd dat naar zijn mening het Nederlandse recht moet worden toegepast omdat [persoon] Nederlander is. RaS Nederland heeft aangegeven het daarmee eens te zijn. De rechtbank begrijpt uit het debat ter zitting dat beide partijen willen dat het Nederlands recht wordt toegepast en dat partijen hiermee kiezen voor toepasselijkheid van het Nederlandse recht, wat mogelijk is op basis van artikel 14 van Pro de Rome II-verordening.
5.5.
RaS Nederland baseert haar vordering op [persoon] op onrechtmatige daad, meer in het bijzonder op bestuurdersaansprakelijkheid. Of [persoon] in deze zaak als (indirect) bestuurder van RaS België persoonlijk aansprakelijk is, zal de rechtbank beoordelen aan de hand van de maatstaf die door de Hoge Raad is ontwikkeld in het arrest Ontvanger/Roelofsen [7] . Het uitgangspunt in de rechtspraak is dat een vennootschap zelf aansprakelijk is voor het tekortschieten in de nakoming van een verbintenis of het plegen van een onrechtmatige daad. Onder bijzondere omstandigheden kan daarnaast ruimte zijn voor aansprakelijkheid van een bestuurder. Daarvoor is nodig dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. In het arrest Ontvanger/Roelofsen zijn door de Hoge Raad (niet-limitatief) twee gevalstypen van een dergelijk persoonlijk ernstig verwijt geformuleerd. Uit de dagvaarding leidt de rechtbank af dat RaS Nederland haar vorderingen in beide zaken op het tweede gevalstype baseert.
5.6.
Bij dit tweede gevalstype gaat het om de situatie waarin een schuldeiser van een vennootschap wordt benadeeld door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering doordat de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In het algemeen mag alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder tegenover de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW Pro, een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Daarvan is sprake als het handelen of nalaten van de bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden aangenomen.
5.7.
De stelplicht en bewijslast dat een bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt gemaakt kan worden, en dat daarmee dus sprake is van onrechtmatig handelen van die bestuurder, rust op grond van artikel 150 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering op degene die zich op het rechtsgevolg (schadeplichtigheid) beroept. De stelplicht en de bewijslast rust dus op RaS Nederland.
5.8.
De rechtbank komt tot het oordeel dat RaS Nederland te weinig feiten heeft gesteld ter onderbouwing van haar standpunt dat [persoon] onrechtmatig heeft gehandeld. RaS Nederland stelt dat het non-concurrentiebeding vier keer is geschonden. Van RaS Nederland mag dan verwacht worden dat zij aangeeft welke bepaling uit het non-concurrentiebeding (artikel 20 bestaat Pro uit 8 bepalingen) is geschonden en op welke wijze deze bepaling is geschonden. RaS Nederland heeft dit nagelaten. RaS Nederland heeft in de dagvaarding namelijk niet benoemd om welke vier overtredingen het concreet gaat. RaS Nederland heeft de overtredingen ter zitting wel (kort) nader toegelicht in die zin dat zij de klanten heeft genoemd die zouden zijn overgedragen aan een andere onderneming. Verder is benoemd dat [persoon] bij deze andere onderneming als ‘commercieel directeur’ is gaan werken. Daarnaast heeft RaS Nederland verwezen naar een aantal (onleesbare) bewijsstukken bij de beslagstukken [8] die zijn overgelegd door [persoon] , waaruit zou moeten blijken dat in strijd is gehandeld met het relatiebeding zoals verwoord in artikel 20.6 van de franchiseovereenkomst. Ras Nederland heeft hier echter geen nadere toelichting op gegeven. Gelet op de gemotiveerde betwisting van [persoon] dat sprake was van schending van het non-concurrentiebeding, had het op de weg van RaS Nederland gelegen haar standpunten nader te onderbouwen. Zeker op het punt van het persoonlijk ernstig verwijt aan [persoon] .
5.9.
Daar komt nog bij dat, zoals hiervoor onder punt 5.5 is overwogen, in beginsel geldt dat een vennootschap zelf aansprakelijk is voor het tekortschieten in de nakoming van een verbintenis of het plegen van een onrechtmatige daad. Dat RaS België, de contractspartij van RaS Nederland, het concurrentiebeding heeft overtreden staat gezien de schending van de stelplicht door RaS Nederland niet vast. Niet gesteld is dat RaS België door RaS Nederland is aangesproken en dat Ras Nederland heeft gepoogd de boetes op RaS België te verhalen. Voor zover al zou kunnen worden vastgesteld dat RaS België het concurrentiebeding heeft overtreden en geen verhaal biedt, geldt dat de gestelde gedragingen van de vennootschap zich allemaal hebben voorgedaan nadat Ras Nederland de franchiseovereenkomst al had ontbonden. [persoon] was op dat moment al geruime tijd ziek en had op dat moment dus ook al geruime tijd niet meer de feitelijke leiding over RaS België. Ook hierom had het op de weg van RaS Nederland gelegen toe te lichten wat precies de rol van [persoon] geweest is in de gestelde schending door RaS België van het non-concurrentiebeding. Zonder nadere toelichting van RaS Nederland is voor de rechtbank niet duidelijk wat [persoon] dan precies heeft gedaan dat een persoonlijk ernstig verwijt oplevert. Ook dit staat in de weg aan toewijzing van de vordering van RaS Nederland.
Zaak II: de vordering wordt afgewezen
De standpunten van partijen
5.10.
Ook in zaak II houdt RaS Nederland [persoon] als bestuurder aansprakelijk voor door RaS Nederland geleden schade. [persoon] was, samen met twee anderen, bestuurder van RaS Haaglanden. RaS Nederland stelt dat RaS Haaglanden het non-concurrentiebeding uit de franchiseovereenkomst twee keer heeft geschonden. Ten eerste heeft RaS Haaglanden een van RaS Nederland ingeleende uitzendkracht uitgezonden naar een klant en de door deze uitzendkracht verrichte werkzaamheden vervolgens gefactureerd via RaS Haaglanden. Ten tweede heeft RaS Haaglanden feitelijk als concurrent van RaS Nederland gewerkt door werkzaamheden verricht door RaS België te factureren via RaS Haaglanden. De drie directeuren zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor het gevoerde beleid en daarom aansprakelijk. [9] [persoon] moet volgens RaS Nederland € 50.000,00 betalen voor de twee schendingen van de franchiseovereenkomst. De andere twee bestuurders hebben volgens RaS Nederland een regeling getroffen met RaS Nederland en zij hebben daarmee feitelijk erkend dat er is gefraudeerd.
5.11.
[persoon] heeft gemotiveerd betwist dat sprake is van twee overtredingen. Hij heeft ook betwist als bestuurder aansprakelijk te zijn. Volgens [persoon] is niet juist dat RaS Haaglanden een medewerker die via RaS Nederland werd ingeleend heeft laten werken voor een derde en vervolgens die werkzaamheden heeft gefactureerd vanuit RaS Haaglanden. Voor wat betreft de tweede schending merkt [persoon] op dat hij niet weet waar dit verwijt precies op ziet omdat RaS Nederland niet heeft toegelicht om welke klant(en) het dan gaat, in welke periode dit geweest zou zijn en om welk bedrag het dan zou gaan. En al zou de vermeende facturering door RaS Haaglanden van werkzaamheden van RaS België worden aangenomen, dan levert dat volgens [persoon] geen concurrerende werkzaamheden op, en daarmee dus geen schendig van het concurrentiebeding. [persoon] heeft verder aangegeven er niet mee bekend te zijn of met de andere twee bestuurders een regeling is getroffen en hoe die regeling dan tot stand is gekomen.
Het oordeel van de rechtbank
5.12.
Ook dit gedeelte van de vordering van RaS Nederland is gebaseerd op het hierboven onder 5.6. geschetste gevalstype. De rechtbank zal daarom bij de beoordeling van zaak II hetzelfde juridische kader toepassen.
5.13.
Ook in zaak II oordeelt de rechtbank dat RaS Nederland te weinig heeft gesteld ter onderbouwing van haar standpunten. RaS Nederland stelt dat [persoon] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt, maar zij stelt vervolgens niet
welkpersoonlijk ernstig verwijt dat is. RaS Nederland stelt dat er met twee andere bestuurders een regeling is getroffen en dat zij daarmee dus feitelijk erkend hebben te hebben gefraudeerd. Zonder nadere toelichting is voor de rechtbank niet duidelijk waarom uit de omstandigheid dat twee medebestuurders een regeling zouden hebben getroffen kan worden afgeleid dat er dus een aan [persoon] persoonlijk een ernstig verwijt gemaakt kan worden ten aanzien van twee overtredingen van het non-concurrentiebeding door RaS Haaglanden. Andere stellingen ontbreken.
5.14.
De rechtbank begrijpt verder dat RaS Nederland vindt dat sprake is van schending van artikel 20.4 van de franchiseovereenkomst [10] . Artikel 20.4 bepaalt dat het de franchisenemer niet is toegestaan om gedurende de looptijd van de franchiseovereenkomst financiële belangen te hebben in een concurrerende onderneming, die hem de macht zouden geven het economische gedrag van die onderneming te beïnvloeden. Ook is het de franchisenemer gedurende de looptijd van de franchiseovereenkomst niet toegestaan op enigerlei wijze werkzaam te zijn voor een soortgelijk bedrijf als RaS Nederland.
5.15.
Door RaS Nederland is niet aangegeven op welke wijze de twee door haar aangehaalde verwijten een schending opleveren van deze bepaling. Laat staan dat is toegelicht waarom [persoon] daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Nu de stelplicht en bewijslast in deze zaak bij RaS Nederland ligt, had het op de weg van RaS Nederland gelegen haar standpunt op dit punt nader te onderbouwen.
5.16.
Bovendien speelt ook in zaak II dat in beginsel een vennootschap zelf aansprakelijk is voor het tekortschieten in de nakoming van een verbintenis of het plegen van een onrechtmatige daad. Ter zitting heeft RaS Nederland bevestigd dat er geen pogingen zijn ondernomen om RaS Haaglanden aansprakelijk te stellen voor de boetes, althans geprobeerd is de boetes bij RaS Haaglanden te innen. De aansprakelijkheid van de vennootschap staat daarmee niet vast en dus staat ook niet vast dat de vennootschap niet in staat is de vordering te voldoen. Ook dit staat in de weg aan toewijzing van de vordering.
RaS Nederland moet de proceskosten van [persoon] betalen
5.17.
RaS Nederland is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [persoon] heeft de daadwerkelijk gemaakte proceskosten gevorderd. Deze vordering wordt afgewezen. Het gaat hier om kosten die vallen onder de proceskosten van artikel 237 e.v. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna Rv). Uit artikel 241 Rv Pro vloeit voort dat in beginsel geen vergoeding voor de werkelijk proceskosten open staat, maar dat een forfaitair liquidatietarief geldt. Alleen in bijzondere omstandigheden, in het geval van misbruik van procesrecht of van onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure door een van partijen, is afwijking van deze regel mogelijk. [11] Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen past terughoudendheid. De rechtbank is van oordeel dat geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken die maken dat RaS Nederland misbruik heeft gemaakt van procesrecht of onrechtmatig heeft gehandeld. Omdat RaS Nederland in deze procedure herhaaldelijk haar stelplicht heeft geschonden, ziet de rechtbank echter wel aanleiding om RaS Nederland te veroordelen om een dubbel liquidatietarief te betalen.
5.18.
De proceskosten van [persoon] worden – met inachtneming van het voorgaande – begroot op:
- griffierecht
2.626,00
- salaris advocaat
8.204,00
(2 punten × € 2.051,00 [12] x factor 2)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
10.978,00
5.19.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5.20.
Het vonnis zal ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, nu daarom is verzocht en daartegen geen verweer is gevoerd. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
in reconventie
Het gelegde beslag wordt opgeheven
De standpunten van partijen
5.21.
[persoon] vordert opheffing van het op zijn woonhuis gelegde beslag. Hij stelt allereerst dat het beslag moet worden opgeheven omdat de vorderingen van RaS Nederland moeten worden afgewezen. [persoon] heeft daarnaast gesteld dat hij belang heeft bij opheffing van het beslag op zijn woonhuis. [persoon] vermoedt dat de financiering van zijn woonhuis is opgezegd door de bank als gevolg van een e-mail aan de bank waarin hij wordt beschuldigd van fraude. Een dergelijke e-mail is verstuurd vanuit zijn RaS België account op een moment dat hij daar zelf geen toegang toe had (vanwege zijn afwezigheid door ziekte). Het beslag staat in de weg aan een herfinanciering, althans bemoeilijkt de herfinanciering. [persoon] woont in de woning met twee jonge kinderen. De onduidelijkheid zorgt voor de nodige onrust en spanning binnen het gezin.
5.22.
Over de vordering tot opheffing van het beslag heeft RaS Nederland enkel opgemerkt dat haar vorderingen (in conventie) niet moeten worden afgewezen.
Het oordeel van de rechtbank
5.23.
Een beslag kan worden opgeheven als summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. [13] Het is aan de partij die opheffing van het beslag vordert om dit aannemelijk te maken. [14] De omstandigheid dat de vordering wordt afgewezen, rechtvaardigt dit oordeel niet zonder meer. Er kan tegen het vonnis immers nog een rechtsmiddel worden ingesteld. De rechtbank moet daarom ook de afweging maken of het belang van de beslaglegger bij instandhouding van het beslag zwaarder weegt dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. [15] Hierbij speelt mee dat een conservatoir beslag is bedoeld om ervoor te zorgen dat de beslaglegger zijn vordering kan innen als zijn vordering (in hoger beroep) wordt toegewezen. Daar staat tegenover dat als de vordering van de beslaglegger (in hoger beroep) wordt afgewezen, de beslaglegger aansprakelijk is voor de schade die het beslag heeft veroorzaakt.
5.24.
Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen die RaS Nederland heeft ingesteld worden afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen summierlijk ondeugdelijk zijn omdat RaS Nederland nauwelijks iets heeft gesteld over de verwijten die aan [persoon] worden gemaakt, laat staan dat zij haar standpunten heeft onderbouwd. De mogelijkheid van hoger beroep staat echter nog open en niet uitgesloten is dat RaS Nederland in hoger beroep haar standpunten nader onderbouwt. Om die reden kan de enkele afwijzing van de vorderingen in conventie niet direct leiden tot opheffing van het gelegde beslag. [persoon] heeft echter ook zijn belangen bij opheffing van het gelegde beslag gemotiveerd uiteengezet. RaS Nederland heeft de door [persoon] gestelde belangen niet betwist. RaS Nederland heeft verder nagelaten haar belangen bij handhaving van het beslag nader toe te lichten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de belangen van [persoon] bij opheffing van het beslag zwaarder dienen te wegen dan de belangen van RaS Nederland bij handhaving daarvan. De rechtbank zal het beslag daarom opheffen.
RaS Nederland moet de proceskosten van [persoon] betalen
5.25.
RaS Nederland is in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Gezien de samenhang met de procedure in conventie zal de rechtbank de helft van het liquidatietarief toekennen. De proceskosten van [persoon] worden begroot op:
- salaris advocaat
€ 653,00
(2 punten × € 653,00 [16] × factor 0,5)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
801,00
5.26.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank
in conventie
6.1.
wijst de vorderingen van RaS Nederland af,
in reconventie
6.2.
heft het ten laste van [persoon] door RaS gelegde beslag op,
6.3.
wijst het meer of anders gevorderde af,
In conventie en reconventie
6.4.
veroordeelt RaS Nederland in de proceskosten van € 11.779,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.5.
veroordeelt RaS Nederland tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als RaS Nederland niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.6.
veroordeelt RaS Nederland tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.7.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.2., 6.4., 6.5. en 6.6. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Vlieger, mr. Römers en mr. Van den Broek en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.

Voetnoten

1.Productie 1 bij dagvaarding.
2.Productie 3 bij dagvaarding.
3.Productie 9 en 10 bij de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie.
4.Productie 5 bij dagvaarding.
5.Productie 6 bij dagvaarding.
6.Productie 27 bij conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie.
7.Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 en later herhaald in o.a. HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628 (Hezemans Air) en Hoge Raad 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627 (RCI).
8.Productie 27 bij de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie.
9.Productie 6 bij dagvaarding.
10.Hoewel dit niet direct blijkt uit de dagvaarding leest de rechtbank dit in productie 6 bij dagvaarding.
11.HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828 (Duka/Achmea).
12.Liquidatietarief V per 1 februari 2026.
13.Artikel 705 lid 2 Rv Pro.
14.HR 14 juni 1996, NJ 1997/481.
15.HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1559 (Bijl/Van Balen).
16.Liquidatietarief II (onbepaalde waarde) per 1 februari 2026.