ECLI:NL:RBZWB:2026:214
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag BPM en immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van € 5.968 die de inspecteur heeft opgelegd na een hertaxatie waarbij een forfaitaire afschrijvingstabel werd toegepast. Belanghebbende betwistte de toepassing van de herleidingsmethode en de waardevermindering wegens schade.
De rechtbank oordeelt dat de herleidingsmethode niet kan worden toegepast, conform een arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat lager is dan € 19.050, en dat de door belanghebbende opgevoerde waardeverminderingen wegens schade en bijzondere omstandigheden niet voldoende zijn onderbouwd.
De naheffingsaanslag is daarom terecht en tot het juiste bedrag opgelegd. Wel kent de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 1.500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar, waarvan een deel voor rekening van de inspecteur en een deel voor de Staat komt. Daarnaast worden proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding toegekend.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, veroordeelt de inspecteur en de Staat tot betaling van de immateriële schadevergoeding en proceskosten, en wijst het griffierecht af omdat de redelijke termijn op het moment van het verzoek nog niet was overschreden.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding toegekend wegens termijnoverschrijding.