ECLI:NL:RBZWB:2026:215

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
23/10777
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende, een B.V., tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst. De inspecteur had op 18 oktober 2023 een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.312. Het bezwaar van belanghebbende werd door de inspecteur ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 behandeld, waarbij belanghebbende werd vertegenwoordigd door mr. [gemachtigde 2] en de inspecteur door [inspecteur 1] en [inspecteur 2]. De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is, maar dat het opgelegde bedrag te hoog is. De rechtbank heeft vastgesteld dat de historische nieuwprijs van de auto, een Maserati Levante, € 154.257 bedraagt, en dat de verschuldigde Bpm € 12.980 is. De rechtbank heeft de naheffingsaanslag verminderd tot € 4.277 en heeft belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 1.500 toegekend vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank heeft de uitspraak op bezwaar vernietigd en de inspecteur veroordeeld tot het betalen van proceskosten aan belanghebbende van € 3.200. De uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink op 20 januari 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/10777
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 20 januari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. [gemachtigde 1] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 18 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.312 aan verschuldigde Bpm.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. [gemachtigde 2] , en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond moet worden verklaard. De naheffingsaanslag is terecht, maar naar een te hoog bedrag opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op 18 juli 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Maserati Levante 3.0 V6 S GranSport met VIN-nummer [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 8.703.
4.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
4.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 13.015 bedraagt. Gelet hierop heeft de inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd.

Motivering

Historische nieuwprijs
4.3.
In een nader stuk heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat de historische nieuwprijs van de auto € 154.257 bedraagt rekening houdend met een historische bruto bpm van € 54.271. Ter zitting heeft de inspecteur verklaard zich aan te sluiten bij het standpunt van belanghebbende. De rechtbank acht dat juist en zal dienovereenkomstig oordelen. Dit leidt ertoe dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd. In zoverre is het beroep gegrond.
Herleidingsmethode
4.4.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [1] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Waardevermindering wegens schade
4.5.
Ter zitting heeft belanghebbende haar standpunt ten aanzien van de schade nader toegelicht en gesteld dat een bedrag van € 1.177 in mindering moet worden gebracht op de handelsinkoopwaarde in aanvulling op de door DRZ in aanmerking genomen schade van € 569.
4.6.
De inspecteur betwist dat voor het bedrag van € 1.177 sprake is van schade en sluit aan bij de beoordeling van DRZ.
4.7.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer schade dan DRZ reeds in aanmerking heeft genomen. Weliswaar zijn op de foto’s wel beschadigingen te zien, maar niet aannemelijk is dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade mede gelet op de leeftijd en de kilometerstand van de auto. Het beleid dat binnen de branche zou bestaan leidt niet tot een ander oordeel. De handelsinkoopwaarde in beschadigde staat bedraagt dan € 38.366 - € 569 = € 37.797.
Hoogte naheffingsaanslag
4.8.
Het voorgaande brengt mee dat de naheffingsaanslag als volgt dient te worden verminderd.
Historische nieuwprijs
€ 154.257
Handelsinkoopwaarde
€ 37.797
Afschrijving
€ 116.460
Historische bruto Bpm (A)
€ 52.974
Met toepassing tussentijds tarief
Afschrijvingspercentage (B)
75,4974%
Afschrijving
€ 39.994
(100% -/- B) x A
Verschuldigde Bpm
€ 12.980
Voldaan op aangifte
€ 8.703
Naheffing
€ 4.277
Immateriële schadevergoeding
4.9.
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.10.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 29 december 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 20 januari 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 13 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
4.11.
Omdat de bezwaarfase afgerond 10 maanden heeft geduurd en daarmee 4 maanden te lang, komt 4/13 deel, derhalve € 462 voor de rekening van de inspecteur en de rest, zijnde € 1.038 voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten.
5.1.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 4.277;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 462;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.038;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 20 januari 2026.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.