ECLI:NL:RBZWB:2026:216

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
23/11156
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm)

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende, een B.V., tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst. De inspecteur had op 30 oktober 2023 een naheffingsaanslag van € 4.160 aan Bpm opgelegd, alsook € 17 aan belastingrente. Het bezwaar van belanghebbende werd door de inspecteur ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 behandeld, waarbij belanghebbende werd vertegenwoordigd door een gemachtigde en de inspecteur door twee inspecteurs. De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is, maar dat het opgelegde bedrag te hoog is. De rechtbank concludeert dat de herleidingsmethode niet kan worden toegepast en dat de schade aan de auto, die door belanghebbende is aangetoond, in aanmerking moet worden genomen. De rechtbank vermindert de naheffingsaanslag tot € 3.810 en kent belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 1.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar en veroordeelt de inspecteur tot betaling van proceskosten aan belanghebbende.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11156
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 20 januari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 30 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.160 aan verschuldigde Bpm.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende € 17 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende [gemachtigde 2] , en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond moet worden verklaard. De naheffingsaanslag is terecht, maar naar een te hoog bedrag opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op 15 november 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Land Rover Discovery 3.0 met VIN-nummer [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 9.939.
4.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
4.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 14.099 bedraagt. Gelet hierop heeft de inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd.

Motivering

4.3.
Tussen partijen is in geschil of de zogenoemde herleidingsmethode kan worden toegepast en of een waardevermindering wegens schade en overige waardeverminderingen in aanmerking moeten worden genomen.
Herleidingsmethode
4.4.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [1] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Waardevermindering wegens schade
4.5.
De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 12.956 en deze voor 72% op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. Belanghebbende heeft in haar beroepschrift foto’s van onder meer schade aan het dak opgenomen en gesteld dat de inspecteur, bij het opleggen van de naheffingsaanslag, in elk geval ten onrechte geen rekening heeft gehouden met deze schade. Tevens heeft belanghebbende rekening gehouden met overige waardeverminderingen van € 3.178. De hertaxateur van DRZ heeft geen schade aan de auto geconstateerd en opgemerkt dat de opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen dan wel als gebruikssporen zijn aangemerkt.
4.6.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende aan de hand van de foto’s de schade aan het dak aannemelijk heeft gemaakt. Op de foto’s is een scheur in het dak te zien. Voor de hoogte van de schade zal de rechtbank aansluiten bij de in het taxatierapport opgenomen reparatiekosten:
Materiaal
€ 750,00
Arbeid
€ 462,50
Totaal
€ 1.212,50
Btw
€ 254,62
Totale reparatiekosten
€ 1.467,12
De rechtbank zal 72% van dit bedrag, zijnde (afgerond) € 1.057, in mindering brengen op de handelsinkoopwaarde.
4.7.
Voor de overige schadeposten (zie 4.5) heeft belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade mede gelet op de leeftijd en de kilometerstand van de auto. Het beleid dat binnen de branche zou bestaan leidt niet tot een ander oordeel. Verder heeft belanghebbende voor de overige waardeverminderingen geen onderbouwing gegeven en dus ook niet aannemelijk gemaakt.
Hoogte naheffingsaanslag en belastingrentebeschikking
4.8.
Het voorgaande brengt mee dat de naheffingsaanslag als volgt dient te worden verminderd.
Historische nieuwprijs
€ 124.677
Handelsinkoopwaarde voor schade
€ 42.372
Schade (72% van € 1.467,12)
€ 1.057
Handelsinkoopwaarde na schade
€ 41.315
Afschrijving
€ 83.362
Bruto historische Bpm
€ 41.493
Afschrijvingspercentage
66,8624%
Afschrijving
€ 27.743
Verschuldigde Bpm
€ 13.749
Voldaan op aangifte
€ 9.939
Naheffing
€ 3.810
De belastingrentebeschikking dient dienovereenkomstig te worden verminderd.
Immateriële schadevergoeding
4.9.
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.10.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 3 mei 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 20 januari 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 9 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.000.
4.11.
Omdat de bezwaarfase afgerond 6 maanden heeft geduurd komt de overschrijding volledig voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten.
5.1.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 3.810 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.000;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 20 januari 2026.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.