ECLI:NL:RBZWB:2026:217
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag BPM en immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van € 5.368 opgelegd door de inspecteur, die uitkwam op een hogere verschuldigde BPM dan door belanghebbende was aangegeven. De rechtbank heeft het beroep behandeld en geoordeeld dat de naheffingsaanslag terecht en correct is opgelegd.
De kern van het geschil betrof de toepassing van de herleidingsmethode en de waardevermindering wegens schade aan de auto. De rechtbank volgde het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 en verwierp het beroep op de herleidingsmethode. Daarnaast achtte de rechtbank de door belanghebbende gestelde schade aan de auto niet aannemelijk, mede omdat de inspecteur de schade gemotiveerd betwistte en de schade niet als essentieel werd beschouwd.
Verder heeft belanghebbende een verzoek ingediend voor immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelde vast dat de redelijke termijn met ongeveer 12 maanden was overschreden en kende een schadevergoeding van € 1.000 toe, waarvan een deel voor rekening van de inspecteur en een deel voor rekening van de Staat komt. Ook werden proceskosten voor het indienen van het verzoek toegekend.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, veroordeelde de inspecteur en de Staat tot betaling van de immateriële schadevergoeding en proceskosten, en wees het griffierecht af omdat de termijnoverschrijding op het moment van het verzoek nog niet was ingetreden.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.