ECLI:NL:RBZWB:2026:218
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag BPM en immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van € 5.340 en de daarbij behorende belastingrente van € 17. De inspecteur stelde de aanslag vast na een hertaxatie door DRZ, die een hogere verschuldigde BPM vaststelde dan belanghebbende had aangegeven. Belanghebbende voerde aan dat de herleidingsmethode niet toegepast mocht worden en dat een waardevermindering wegens schade, met name aan de versnellingsbak, in aanmerking moest worden genomen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. De herleidingsmethode is volgens het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 correct toegepast. De rechtbank acht de schadeclaims onvoldoende aannemelijk, mede omdat DRZ geen defect aan de versnellingsbak heeft vastgesteld en belanghebbende niet kon aantonen dat reparatie heeft plaatsgevonden. De naheffingsaanslag is daarom terecht en correct vastgesteld.
Daarnaast heeft belanghebbende een verzoek ingediend voor immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank constateert een overschrijding van ongeveer 15 maanden en kent een vergoeding van € 1.500 toe, waarvan € 700 voor rekening van de inspecteur en € 800 voor rekening van de Staat. Tevens worden proceskosten voor het indienen van dit verzoek deels toegewezen. Het beroep wordt verder afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding toegekend.