ECLI:NL:RBZWB:2026:218

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
23/11137
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 20 januari 2026, wordt het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst beoordeeld. De inspecteur had een naheffingsaanslag van € 5.340 aan Bpm opgelegd, alsook € 17 aan belastingrente. Belanghebbende had eerder aangifte gedaan voor de registratie van een Maserati Levante en een bedrag aan Bpm voldaan van € 8.242. De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 behandeld, waarbij belanghebbende werd vertegenwoordigd door een gemachtigde en de inspecteur door twee inspecteurs.

De rechtbank concludeert dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. De inspecteur had de verschuldigde Bpm vastgesteld op € 13.582 na een hertaxatie door de Dienst Domeinen Roerende Zaken, die geen significante schade aan de auto constateerde. Belanghebbende betwistte de hoogte van de naheffingsaanslag en voerde aan dat er schade aan de versnellingsbak was, maar de rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet voldoende bewijs had geleverd voor een hogere schadevergoeding.

Daarnaast heeft belanghebbende een verzoek ingediend voor een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank erkent dat de redelijke termijn met 15 maanden is overschreden en kent een schadevergoeding van € 1.500 toe, waarvan € 700 voor rekening van de inspecteur en € 800 voor de Staat. De rechtbank wijst het beroep ongegrond, maar kent wel een vergoeding voor de immateriële schade toe, evenals proceskosten voor het indienen van het verzoek.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11137
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 20 januari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 30 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 5.340 aan verschuldigde Bpm.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende € 17 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende [gemachtigde 2] , en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. De naheffingsaanslag is terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op 30 september 2021 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Maserati Levante 3.0 V6 S AWD met VIN-nummer [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 8.242.
4.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
4.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). DRZ heeft in het rapport het volgende opgemerkt:
“Voertuig is rijdend bij DRZ binnen gekomen. Het geluid van de automatische versnellingsbak was niet afwijkend en de bak schakelde soepel. Op de duitse verkoopfactuur, dd 14-9-2021 had het voertuig een km-stand van 54330. Op de aangeleverde taxatie staat een km-stand van 54339 vermeld. De km-stand bij het RDW op 29-9-2021 was 54663. Vandaag bij DRZ is de km-stand 55498. Na de koop op 14-9-2021 is er 168 km over de weg mee gereden. De boordcomputer geeft twee meldingen; start & stop ‘uit’ en achterstallig routine-onderhoud. Geen van de meldingen wijst op een defect van de transmissie.”
4.3.
De inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 13.582 bedraagt. Gelet hierop heeft de inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd.
4.4.
Tot de gedingstukken behoort een aankoopfactuur van de auto. Hierop is vermeld dat de aankoopprijs € 40.000 bedraagt en er een probleem is met de automatische versnellingsbak.
4.5.
Tot de gedingstukken behoort tevens een offerte van 24 september 2021 voor de reparatie van de versnellingsbak van de auto voor een bedrag van € 7.775,70 (excl. btw).

Motivering

4.6.
Tussen partijen is in geschil of de zogenoemde herleidingsmethode kan worden toegepast en of een waardevermindering wegens schade in aanmerking moet worden genomen.
Vooraf
4.7.
Belanghebbende heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat bijlage 3 bij het verweerschrift door de inspecteur binnen de tiendagentermijn is overgelegd en dat ook al belanghebbende zelf over dit stuk beschikte en bekend was met de inhoud ervan, het stuk tardief dient te worden verklaard omdat de rechtbank deze niet tijdig heeft gehad.
4.8.
De rechtbank ziet geen aanleiding om het voornoemd stuk tardief te verklaren. Hiervoor acht de rechtbank mede van belang dat de inspecteur bijlage 3 bij zijn verweerschrift, zijnde het rapport van DRZ, als bijlage bij zijn verweerschrift heeft willen opnemen en het als zodanig ook genoemd heeft, maar kennelijk abusievelijk niet heeft bijgevoegd. Tevens acht de rechtbank van belang dat belanghebbende zelf bekend is met het rapport. De rechtbank heeft het rapport van 176 pagina’s weliswaar kort voor de zitting ontvangen, maar heeft daar voor de zitting kennis van kunnen nemen. Daarbij merkt de rechtbank op dat het rapport voor 163 pagina’s foto’s betreft. De rechtbank zal het rapport daarom tot de gedingstukken rekenen.
Herleidingsmethode
4.9.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [1] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Waardevermindering wegens schade
4.10.
De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 25.730 en deze voor 72% op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. Ter zitting heeft belanghebbende toegelicht dat in ieder geval de schade van de versnellingsbak ten onrechte niet in aanmerking is genomen. Hiertoe wijst belanghebbende naar de aankoopfactuur waarop een melding is gemaakt van het probleem en de offerte voor de reparatie. De hertaxateur van DRZ heeft een schade aan de auto geconstateerd van € 300 en 72% daarvan in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde.
4.11.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. Het beleid dat binnen de branche zou bestaan leidt niet tot een ander oordeel. Ten aanzien van de versnellingsbak overweegt de rechtbank dat DRZ het probleem bij de schouw van de auto niet heeft aangetroffen en belanghebbende ter zitting desgevraagd niet heeft kunnen verklaren of en zo ja wanneer reparatie heeft plaatsgevonden. Dit brengt mee dat niet is vast te stellen dat ten tijde van de registratie (nog) sprake was van schade.
Hoogte naheffingsaanslag
4.12.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag opgelegd.
Belastingrente
4.13.
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.
Immateriële schadevergoeding
4.14.
Belanghebbende heeft op 23 november 2023 verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.15.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 20 oktober 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 20 januari 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 15 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
4.16.
Omdat de bezwaarfase afgerond 13 maanden heeft geduurd en daarmee 7 maanden te lang, komt 7/15 deel, derhalve € 700 voor de rekening van de inspecteur en de rest, zijnde € 800, voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.500.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van zijn proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25 [2] , wat neerkomt op € 233,50. De Staat en de inspecteur moeten die kosten ieder voor de helft vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding weliswaar is gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024, maar de redelijke termijn op de datum van het arrest nog niet was overschreden. [3]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 700;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 800;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 20 januari 2026.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
2.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
3.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.