ECLI:NL:RBZWB:2026:2234

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
BRE 25/3166
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N.S.S. Obispo
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbWet kinderopvangBesluit kwaliteit kinderopvang
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarprocedure niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken procesbelang na intrekking besluiten

Eiseres maakte bezwaar tegen aanwijzingen en lasten onder dwangsom opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van Woensdrecht, omdat het kinderdagverblijf binnen een organisatie niet zou voldoen aan de coachingsuren volgens de Wet kinderopvang. Na een nieuw GGD-onderzoek werden de besluiten ingetrokken, waarna het college het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaarde wegens ontbreken van procesbelang.

De rechtbank oordeelt dat het procesbelang ontbreekt omdat het doel van het bezwaar, het intrekken van de besluiten, reeds is bereikt. Eiseres kon onvoldoende aannemelijk maken dat zij door de besluiten materiële schade heeft geleden. Ook het argument dat openbaarmaking van GGD-rapporten schade zou veroorzaken, levert geen procesbelang op omdat het college niet verantwoordelijk is voor die publicatie.

Wel constateert de rechtbank een gebrek in de bezwaarprocedure omdat het college niet voorafgaand aan de beslissing het procesbelang zorgvuldig heeft onderzocht. Dit gebrek leidt echter niet tot benadeling van eiseres, zodat het beroep ongegrond wordt verklaard. Het college moet het griffierecht aan eiseres vergoeden vanwege het procedurele gebrek.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard omdat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3166

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woensdrecht, het college
(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen een besluit van het college, waarin het bezwaar van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. Eiseres is het niet eens met dit besluit en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres geen procesbelang heeft gehad in de bezwaarprocedure. Dat betekent dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard door het college. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Wel constateert de rechtbank dat sprake is van een gebrek, omdat geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of eiseres een procesbelang had en of sprake is van een gebrek in de bezwaarprocedure. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Op 22 augustus 2024 heeft het college tweemaal een aanwijzing en last onder dwangsom verzonden naar [organisatie] (Hierna: [organisatie] ). Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten.
2.1.
Met het bestreden besluit van 9 mei 2025 op het bezwaar van eiseres is het bezwaar kennelijk-niet ontvankelijk verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de vader van eiseres en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of het college het bezwaar van eiseres terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Het college legt eiseres op 22 augustus 2024 een aanwijzing en last onder dwangsom op, omdat het kinderdagverblijf binnen [organisatie] in het jaar 2023 niet zou hebben voldaan aan het aantal coachingsuren dat jaarlijks wordt vereist op grond van de Wet kinderopvang en het Besluit kwaliteit kinderopvang. Eenzelfde aanwijzing en last is opgelegd ten aanzien van de buitenschoolse opvang, die ook binnen [organisatie] valt. Deze besluiten zijn genomen naar aanleiding van een inspectierapport van de GGD van 10 mei 2024.
4.1.
Op 1 oktober 2024 maakt eiseres bezwaar tegen bovengenoemde besluiten. Het bezwaar richt zich tegen de aanwijzingen en lasten, maar ook tegen het daaraan ten grondslag liggende onderzoek van de GGD. Ten aanzien van de besluiten stelt eiseres dat deze onjuist zijn, omdat wel degelijk wordt voldaan aan de coachingsuren. Zo zijn de uren van de interne coach niet meegerekend, zijn de uren die aan buddy-coaching zijn besteed ook niet meegerekend en moeten ook de overleguren in dit kader worden meegerekend. Alles opgeteld zouden ongeveer 68 uren aan coachingsuren toegeschreven kunnen worden aan [organisatie] . Nu de verdeling van de uren naar eigen inzicht plaats kan vinden, kan er geen sprake zijn van een overtreding.
4.2.
Op 25 maart 2025 zijn de aanwijzingen en lasten ingetrokken, nadat uit onderzoek door de GGD op 26 november 2024 is gebleken dat voldaan is aan de coachingsuren en daarmee aan de aanwijzingen en lasten.
4.3.
Op 9 mei 2025 heeft het college het bezwaar niet ontvankelijk verklaard, omdat het college de besluiten waartegen bezwaar was gemaakt al had ingetrokken en eiseres geen procesbelang meer zou hebben bij beoordeling van haar bezwaren.
Wanneer is sprake van een procesbelang?
5. Met procesbelang wordt bedoeld het belang dat de eiseres (nog) heeft bij de uitkomst van de aanhangige procedure. Het is een voorwaarde voor de ontvankelijkheid van het bezwaar of beroep. De vraag die hierbij gesteld moet worden, is of het resultaat dat met de procedure wordt nagestreefd ook daadwerkelijk kan worden bereikt en of het realiseren van dat resultaat voor eiseres feitelijk betekenis kan hebben. [1] Het hebben van een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang. Procesbelang kan aanwezig blijven als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade als gevolg van de besluitvorming is geleden.
Heeft eiseres een procesbelang gehad in de bezwaarprocedure?
5.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat geen sprake is van een procesbelang.
5.2.
In het bezwaarschrift heeft eiseres verzocht de opgelegde aanwijzingen en lasten in te trekken. Op 25 maart 2025 zijn deze besluiten ingetrokken, nadat uit een nieuw inspectierapport is gebleken dat geen sprake is geweest van een overtreding. Met de intrekking van de bestreden besluiten is het doel dat eiseres met haar bezwaar beoogde te bereiken, bereikt. Hierdoor kan het procesbelang niet meer bestaan uit het alsnog doen herroepen van die bestreden besluiten
.
5.3.
Om vanwege schade van een procesbelang te kunnen spreken, dient eiseres tot op zekere hoogte aannemelijk te maken dat zij ten gevolge van de besluiten schade heeft geleden. Hoewel eiseres stelt dat ouders en medewerkers hebben gevoeld dat er iets aan de hand was en dat het handhavingstraject stress en onzekerheid heeft opgeleverd, is dit onvoldoende om daaruit een procesbelang af te leiden. Daarbij is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat daadwerkelijk schade is geleden, nu eiseres niet heeft kunnen onderbouwen dat de gevoelens van stress en onzekerheid ook hebben geleid tot – materiële – schade.
5.4.
Eiseres stelt dat zij nog een procesbelang heeft, omdat de GGD-rapporten waarop de aanwijzingen en de lasten zijn gebaseerd (door de GGD) online openbaar zijn gemaakt en dat zij vreest dat zij daardoor mogelijk zowel minder cliënten als minder sollicitanten zal krijgen. De rechtbank overweegt hierover dat niet het college maar de GGD verantwoordelijk is voor die rapporten en de publicatie ervan en dat daarom het intrekken van de rapporten of het ongedaan maken van de publicatie ervan niet kan worden bereikt met deze procedure. Dat levert dan ook geen voldoende procesbelang op.
5.5.
De beroepsgrond slaagt niet.
Schending zorgvuldigheidsbeginsel
6. De rechtbank constateert dat sprake is van een gebrek in de bezwaarprocedure. Het college heeft overwogen dat geen sprake is geweest van een procesbelang. Voorafgaand aan deze beslissing is niet aan eiseres gevraagd of en in hoeverre zij een belang heeft bij het voeren van de procedure. Het college heeft dit dus aangenomen, zonder daar zorgvuldig onderzoek naar te verrichten. Dit maakt dat sprake is van een onzorgvuldig genomen besluit.
6.1.
Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Dit is vastgesteld in artikel 6:22 van Pro de Awb. Omdat eiseres in de beroepsprocedure alsnog haar standpunt naar voren heeft gebracht en dat niet leidt tot een ander resultaat, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat zij door schending van het zorgvuldigheidsbeginsel is benadeeld. Daarom passeert de rechtbank het gebrek.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de rechtbank van oordeel is dat het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het college moet wel het griffierecht aan eiseres vergoeden. Dit omdat aan de bezwaarprocedure een gebrek kleeft.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van €194,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.S.S. Obispo, rechter, in aanwezigheid van A. Lemaire, griffier, op 24 maart 2024 en openbaar bekend gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.