ECLI:NL:CRVB:2007:BA6367

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-3915 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:69 AwbWet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens ontbreken procesbelang bij arbeidsongeschiktheidsuitkering

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarbij haar arbeidsongeschiktheidsuitkering was herroepen en haar indeling in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse werd hersteld. Het beroep richtte zich uitsluitend op de medische diagnose van chronische toxische encephalopathie (CTE), die niet in het bestreden besluit was vermeld.

De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang, omdat appellante met haar beroep geen gunstiger resultaat kon bereiken dan de reeds toegekende volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en benadrukte dat procesbelang vereist dat het nagestreefde resultaat daadwerkelijk kan worden bereikt en betekenis heeft voor de indiener.

Hoewel appellante in de toekomst mogelijk belang kan hebben bij een beoordeling van het standpunt van het UWV over CTE, is dit een toekomstige en onzekere gebeurtenis die onvoldoende actueel belang vormt voor ontvankelijkheid. Ook de mogelijke heroverweging door de voormalige werkgever van het standpunt over een beroepsziekte vormt geen relevant belang.

De Raad wees een proceskostenveroordeling af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Arnhem. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 1 juni 2007.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

05/3915 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 juni 2005, 04/3147,
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).
Datum uitspraak: 1 juni 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is door mr. B.R. Kuijlman, regiojurist bij CNV Publieke Zaak te Hilversum, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek heeft plaats gevonden ter zitting van 20 april 2007. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.M.M. Diebels.
II. OVERWEGINGEN
Het inleidende beroep is gericht tegen het besluit van 12 november 2004, waarbij het besluit van 23 november 2000 tot verlaging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellante met ingang van 24 januari 2001 is herroepen. Het inleidende beroep keert zich enkel tegen de overweging dat appellante niet lijdt aan chronische toxische encephalopathie (CTE).
De rechtbank heeft het inleidende beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellante met haar beroep geen gunstiger resultaat kan bereiken nu met de herroeping van het besluit van 23 november 2000 haar indeling in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse is hersteld.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank. Hij stelt voorop dat sprake is van voldoende procesbelang indien het resultaat dat met het beroep wordt nagestreefd ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor de indiener feitelijk betekenis kan hebben.
In de termen van de in de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering neergelegde beoordelingsmaatstaf beschikt appellante als gevolg van bij haar aanwezige medische beperkingen ten tijde hier in geding over een zodanig verminderd verdienvermogen dat zij als volledig arbeidsongeschikt wordt beschouwd. Nu bij het bestreden besluit volledig tegemoet is gekomen aan de wens van appellante tot voortzetting van de door haar genoten arbeidsongeschiktheidsuitkering, kan de uitsluitend op de achterliggende, niet in het bestreden besluit vermelde, diagnose gerichte grief niet als een rechtens relevant belang worden aangemerkt. De Raad verwijst hiervoor naar zijn uitspraak van 6 maart 1998, LJN ZB7487.
Op zich is juist dat appellante na herkeuring in de toekomst mogelijk een belang zal kunnen krijgen bij de beoordeling van het standpunt van het Uwv over CTE. Deze toekomstige onzekere gebeurtenis vormt evenwel onvoldoende actueel belang voor de ontvankelijkheid van het inleidende beroep. Ook de enkele omstandigheid dat de voormalige werkgeefster van appellante in het bestreden besluit aanleiding ziet tot heroverweging van haar standpunt dat appellante aan een beroepsziekte lijdt, vormt niet een dergelijk belang.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.C. Stam en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2007.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) W.R. deVries.