ECLI:NL:RBZWB:2026:2318

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
29 maart 2026
Zaaknummer
C/02/443327 / JE RK 25-2284
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Zuijdweg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 798 lid 1 RvArt. 1:260 BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens bedreigde ontwikkeling en gezinsproblematiek

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige die sinds 2018 onder toezicht staat. De minderjarige woont bij de vader, die samen met zijn partner de verzorging en opvoeding op zich neemt. De moeder heeft tijdelijk het gezag verloren, maar wordt toch als belanghebbende aangemerkt vanwege haar rechten onder artikel 8 EVRM Pro.

De kinderrechter weegt de standpunten van de moeder, vader, stiefmoeder en de gecertificeerde instelling. De moeder stemt in met verlenging, wenst meer contact en individuele hulp. De vader en stiefmoeder benadrukken de noodzaak van de maatregel vanwege spanningen en de emotionele impact op de minderjarige. De gecertificeerde instelling rapporteert vooruitgang maar ziet nog noodzaak voor speltherapie en systeemtherapie.

De kinderrechter oordeelt dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk blijft om de ontwikkeling van de minderjarige te beschermen en de hulpverlening te monitoren. Zowel de moeder als de stiefmoeder worden als belanghebbenden erkend. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en verlengd tot 28 februari 2027.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige met een jaar en erkent moeder en stiefmoeder als belanghebbenden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/443327 / JE RK 25-2284
Datum uitspraak: 26 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. S.J. Nijssen uit Goes,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. M.V. de Nooijer uit Middelburg.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 22 december 2025;
  • de brief van 24 februari 2026 van de advocaat van de vader.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
Voorts was ter zitting, met bijzondere toestemming van de kinderrechter, aanwezig:
- de heer [persoon] , werkzaam bij [maatschappelijk werk] .
Mr. Nijssen heeft pleitaantekeningen overgelegd.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn, sinds 25 maart 2024, gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . [minderjarige] woont bij de vader.
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter van 7 augustus 2018 is [minderjarige] , toen nog ongeboren, onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 7 augustus 2018 en tot 7 mei 2019. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, toen laatstelijk tot 7 februari 2020.
2.3.
Bij vonnis van 9 oktober 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] tot in de hoofdzaak definitief is beslist, voorlopig bij de vader bepaald. Daarnaast is de Raad voor de Kinderbescherming verzocht om vooruitlopend op de bodemprocedure ((C/02/428531 / FA RK 24-5209) een onderzoek te verrichten en te adviseren en te rapporteren over de in het vonnis vermelde vragen.
2.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van 28 februari 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 28 februari 2024 en tot 28 augustus 2024. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, laatstelijk met ingang van 28 februari 2025 en tot 28 februari 2026.
2.5.
Bij beschikking van 27 september 2024 is een machtiging tot uithuisplaatsing van
[minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, verleend met ingang van 27
september 2024 en tot 11 oktober 2024.
2.6.
Bij beschikking van 10 juli 2025 heeft de rechtbank de uitoefening van het gezag van de moeder tijdelijk opgeheven tot aan het moment dat in de bodemprocedure (C/02/428531 / FA RK 24-5209) een definitieve beslissing is genomen over het gezag en is bepaald dat de vader gedurende de opheffing alleen is belast met het gezag over [minderjarige] . In deze beschikking is (inzake C/02/379543 / FA RK 20-6289) tevens bepaald dat [minderjarige] haar hoofdverblijf heeft bij de vader. Het verzoek betreffende het gezag (C/02/428531 / FA RK 24-5209) werd aangehouden tot de pro forma datum van 14 april 2026, waarbij de GI is verzocht om de rechtbank op deze datum te informeren over de stand van zaken. Tot slot werd in deze beschikking bepaald dat de moeder en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van begeleid contact met elkaar éénmaal per twee weken voor de duur van minimaal één uur, waarbij de uitbreiding en voorwaarden in handen van de GI liggen.
2.7.
Bij beschikking van 27 september 2024 is een machtiging tot uithuisplaatsing van
[minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, verleend met ingang van 27
september 2024 en tot 11 oktober 2024.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

Belanghebbenden;
4.1.
Mr. Nijssen heeft, namens de moeder, verzocht om haar alsnog als belanghebbende aan te merken, ondanks dat het gezag van de moeder tijdelijk is opgeheven. Ter onderbouwing daarvan zijn pleitaantekeningen overlegd.
4.2.
Mr. De Nooijer heeft verzocht om het verzoek van mr. Nijssen af te wijzen. Ten aanzien van het belanghebbendenbegrip zijn in het verleden prejudiciële vragen beantwoord. Er is daarom geen ruimte om de moeder, die nu het gezag niet heeft, toch als belanghebbende aan te merken. Mr. De Nooijer verzoekt daarnaast om de stiefmoeder (partner van de vader) wel aan te merken als belanghebbende, nu zij de minderjarige al meer dan een jaar als behorende tot haar gezin verzorgt en opvoedt.
Verzoek verlenging ondertoezichtstelling;
4.3.
De GI heeft ter onderbouwing van het verzoek het volgende naar voren gebracht. Het gaat de goede kant op met [minderjarige] . De GI wil betrokken blijven om de afspraken te borgen. [minderjarige] heeft inmiddels vier sessies speltherapie gehad en deze zijn geëvalueerd. De speltherapeut ziet niet een grote noodzaak voor speltherapie, maar het zal nog wel een periode doorlopen. [minderjarige] mag nog wel meer gaan werken aan de thema’s verwerking en veerkracht. In maart wordt opnieuw geëvalueerd en daarna wordt bezien of de speltherapie moet worden verlengd. De moeder wordt, ondanks dat ze nu geen gezag heeft, wel betrokken bij allerlei zaken rondom [minderjarige] . Het is voor [minderjarige] fijn dat ze nu succeservaringen opdoet, groeit en zich krachtiger voelt. De komende periode zal ook worden bezien of [minderjarige] klaar is om de overstap te maken naar de basisschool. De bezoeken met de moeder verlopen wisselend. Systeemtherapie zal niet doorgaan bij de moeder, omdat het beter is dat zij eerst met haar eigen stuk aan de gang gaat. Dat onderzoekt de moeder nog samen met de hulpverlening vanuit [hulpverlening 1] . De GI zal ten aanzien van die hulpverlening vervolgens een aantal doelen meegeven waaraan gewerkt moet worden. De GI wil dat eerst afwachten voordat duidelijk wordt wat de vervolgstappen kunnen zijn. IPT zit bij de vader in de afrondingsfase en zal nog deze week een overdracht doen naar de systeemtherapie.
De GI betreurt het dat de moeder zich niet herkent in wat zich in december vorig jaar heeft afgespeeld, namelijk dat de moeder aan [minderjarige] tijdens een omgangsmoment heeft verteld dat zij haar weer zou gaan meenemen. Als dit niet door de moeder wordt erkend en zaken worden verdraaid, is het erg lastig om te werken aan de doelen. De houding van de moeder is tijdens de bezoeken bepalend voor het gevoel van [minderjarige] . Het gaat ook vaak goed; er is sprake van fijn en warm contact, maar anderzijds komt de moeder ook te laat, zegt zij dingen over ziek zijn en dreigt zij met ontvoering. Als dat zo blijft kan de GI de bezoeken niet gaan uitbreiden. Uit het door beide ouders opgestelde levensverhaal blijkt dat er nog sprake is van veel onderlinge spanning waaraan moet worden gewerkt. Er zijn voldoende gronden om de ondertoezichtstelling te verlengen.
4.4.
Mr. Nijssen stemt, namens de moeder, in met het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. Deze zou in elk geval nog voor een jaar verlengd moeten worden. De moeder is bang dat als de ondertoezichtstelling wegvalt, zij niets heeft om ten aanzien van het contact met [minderjarige] op terug te kunnen vallen. De ondertoezichtstelling is verder noodzakelijk om verder te kunnen werken aan de doelen. De moeder bemerkt daarnaast onjuistheden in het verzoek. Opgeschreven is dat het bezoek op zowel 2 als 15 december 2025 niet goed is verlopen, omdat de moeder [minderjarige] zou belasten met volwassen- en negatieve zaken. Dat heeft de moeder zelf niet zo ervaren. Daarbij komt dat ook een bezoekbegeleider aanwezig is tijdens de bezoeken. De moeder wordt zo ten onrechte in een kwaad daglicht gezet. In het begin had de moeder wekelijks contact met [minderjarige] en nu inmiddels één keer per twee weken. De moeder is niet depressief of somber, maar heeft jarenlang voor [minderjarige] gezorgd. Het is logisch dat de huidige situatie bepaalde gevoelens oproept bij de moeder. Het zou wel helpend zijn om de contacten te intensiveren. De moeder hoopt dat de GI wil kijken naar de mogelijkheden om het contact op korte termijn uit te kunnen breiden. Als de moeder stress ervaart, verliest zij het overzicht en dit uit zich dan soms ook in te laat komen, ook soms voor de bezoeken met [minderjarige] . De spanningen bij de moeder lopen ook op in aanloop naar het contactmoment. Zij kiest daar niet bewust voor. Op het moment dat de moeder in een veilige en voorspelbare omgeving is, wordt een heel andere moeder gezien. Dan is zij kalm, beschikbaar en emotioneel afgestemd op [minderjarige] . De moeder hoopt dat zij, in samenspraak met [hulpverlening 1] , op korte termijn individuele hulp kan opstarten. Benadrukt wordt dat de moeder ook het nodige heeft meegemaakt. De moeder vindt het moeilijk dat zij weinig informatie krijgt over [minderjarige] en zou graag meer geïnformeerd worden. Door de vader geplande vakanties zouden verder ook niet ten koste van het contact tussen de moeder en [minderjarige] moeten gaan. Het hoger beroep in de strafzaak is nog aanhangig, er is nog geen datum voor inhoudelijke behandeling bekend.
4.5.
De moeder vult hierop aan dat zij graag vooruit wil. Het is daarom ook lastig dat zij in de stukken steeds wordt geconfronteerd met het verleden. De moeder hoopt dat zij [minderjarige] vaker mag zien. Zij mist haar dochter.
4.6.
Namens de vader is tijdens de zitting het volgende naar voren gebracht. De vader is trots op [minderjarige] en dat zij, ondanks hetgeen zij heeft meegemaakt, het toch zo goed doet. Na de bezoeken is [minderjarige] regelmatig erg van slag. Na een bezoekmoment in december, waarbij zij door de bezoekbegeleider alleen is gelaten met de moeder tijdens een toiletbezoek, is zij wekenlang angstig geweest om weer ontvoerd te worden dor de moeder. Het is erg zorgelijk dat de moeder dat niet inziet. Ook wordt [minderjarige] tijdens de bezoeken gevraagd of zij toch niet ziek is. Deze gebeurtenissen zorgen voor nachtmerries en slecht slapen bij [minderjarige] en terugval in oude patronen. Mogelijk had de bezoekbegeleider onvoldoende kennis van hetgeen zich in het verleden had voorgedaan, maar het is wel erg kwalijk wat er is gebeurd. De moeder komt ook regelmatig te laat tijdens de bezoeken en [minderjarige] zit dan vervolgens met buikpijn te wachten in de omgangskamer. Uitbreiding is nog niet aan de orde, want het loopt niet goed. Hopelijk lukt het de moeder nu wel om individuele behandeling aan te gaan, want in het verleden had zij een weigerachtige houding ten aanzien van hulpverlening. De houding van de moeder jegens de vader en de stiefmoeder helpt niet en werkt strijd verhogend. Het is tot slot opmerkelijk dat [hulpverlening 1] een heel andere moeder ziet als zij in een veilige en voorspelbare omgeving verblijft, omdat zij [minderjarige] en de moeder nooit tezamen in een dergelijke situatie hebben geobserveerd. Vaststaat dat de ondertoezichtstelling moet worden verlengd.
4.7.
De vader vult hierop aan dat het wel goed gaat met [minderjarige] . Ze groeit, zowel op school als op emotioneel- en fysiek vlak. De bezoeken leveren nog veel spanning op bij [minderjarige] , waarbij zij ook spanning ervaart of de moeder ook daadwerkelijk komt. De moeder komt daarnaast altijd te laat. [minderjarige] is wel blij als zij de moeder ziet, maar soms worden door de moeder dingen tegen [minderjarige] gezegd die erg belastend zijn. Dat is een aantal keer gebeurd. Het is belangrijk dat de bezoeken eerst goed verlopen voordat deze worden uitgebreid. [minderjarige] heeft hulp nodig. Zo heeft zij jarenlang rondgelopen met door de moeder geplaatste opnameapparatuur. [minderjarige] is wel open, maar ze uit nog niet alles over hetgeen zij heeft meegemaakt. Daarom is de therapie ook nog nodig. De vader heeft vertrouwen in de systeemtherapie, die hij samen met zijn partner volgt. De vader stemt in met het verzoek. De ondertoezichtstelling is erg helpend.
4.8.
De partner van de vader (hierna de stiefmoeder) heeft verklaard dat ze thuis zijn met zes kinderen. Zij probeert naar anderen toe altijd in liefde te denken. De stiefmoeder vindt het belangrijk dat [minderjarige] contact heeft met de moeder. Het is belangrijk dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd. Deze is erg helpend.

5.De beoordeling

Belanghebbenden;
5.1.
Mr. Nijssen heeft tijdens de zitting, alsmede in zijn pleitaantekeningen, naar voren gebracht dat de moeder door de rechtbank wordt aangemerkt als informant, nu hij hierover van de rechtbank een bericht heeft ontvangen. Deze kon tijdens de zitting niet worden overgelegd. Na controle door de griffier van deze rechtbank in de administratie van het systeem blijkt echter niet dat een dergelijk bericht is uitgegaan naar mr. Nijssen. Wel is een brief gestuurd naar mr. De Nooijer waarin wordt gemeld dat de partner van de vader – voorlopig – als informant wordt aangemerkt.
5.2.
De advocaat van de vader heeft echter verzocht om het verzoek van mr. Nijssen om te worden aangemerkt als belanghebbende, af te wijzen en de moeder – nu (samengevat) haar gezag is geschorst en de minderjarige niet door de moeder wordt verzorgd en opgevoed als onderdeel van haar gezin – aan te merken als informant in deze procedure. De kinderrechter is hierdoor van oordeel dat het noodzakelijk is om zich uit te laten over de processuele positie van de moeder.
5.3.
Tegelijkertijd is door mr. De Nooijer verzocht om de partner van de vader wel aan te merken als belanghebbende, nu zij de minderjarige als behorende tot haar gezin al meer dan een jaar verzorgt en opvoedt. Ook hier zal de kinderrechter een beslissing over nemen.
5.4.
De kinderrechter is van oordeel dat de moeder als belanghebbende dient te worden aangemerkt nu de zaak rechtstreeks betrekking heeft op haar rechten of verplichtingen. Ook is de kinderrechter van oordeel dat ook de partner van de vader als belanghebbende dient te worden aangemerkt nu de zaak ook rechtstreeks betrekking heeft op haar rechten of verplichtingen. Hiertoe overweegt de kinderrechter als volgt.
De moeder:
5.5.
De kinderrechter heeft ambtshalve kennisgenomen van de inhoud van de beschikking van de rechtbank van 10 juli 2024 (C/02/379543 / FA RK 20-6289 en C/02/428531 / FA RK 24-5209) waaruit blijkt dat het gezag van de moeder tijdelijk is geschorst tot aan het moment dat er in die zaak een definitieve beslissing is genomen over het gezag. De rechtbank heeft in bovenstaande procedure geoordeeld dat het nu nog te vroeg is om een definitieve beslissing te nemen over het gezag en dat het van belang is van [minderjarige] dat de ouders een modus vinden waarin zij de samenwerking met elkaar aangaan, waarbij de begeleiding daarvan in handen van de GI is gelegd. Ook is de moeder in die beslissing opgedragen om te laten zien dat zij zich aan alle aanwijzingen en verplichtingen van de GI houdt. De GI heeft in het kader van de ondertoezichtstelling doelen opgesteld, te weten: “ouders kunnen op een constructieve manier met elkaar overleggen en samenwerken in de zorg voor [minderjarige] , [minderjarige] heeft contact met beide ouders op een manier en in een frequentie/duur die aansluit bij de mogelijkheden en behoefte van [minderjarige] ”, waarbinnen deze doelen ook doelen zijn opgesteld binnen de omgangsbegeleiding en punten zijn opgesteld van zaken die nodig zijn voordat het contact tussen [minderjarige] en de moeder kan worden uitgebreid, waarbij het onder meer noodzakelijk wordt bevonden dat de moeder aan de slag gaat met haar eigen proces. Verder zal binnen de ondertoezichtstelling worden gewerkt aan het doel: [minderjarige] functioneert binnen haar eigen mogelijkheden en er is helder wat haar mogelijkheden zijn o.a. op het gebied van haar taal-, spraak- en motorische ontwikkeling. [minderjarige] heeft voor de uithuisplaatsing bij de vader steeds bij de moeder gewoond.
6. Bij de beoordeling van het verzoek van mr. Nijssen om de processuele positie van de moeder te bepalen, dan wel in stand te laten (ondanks de tijdelijke opheffing van haar gezag), zoekt de kinderrechter allereerst aansluiting bij het arrest van de Hoge Raad van 14 november 2024 waarin het volgende werd overwogen:
“3.2.2: Art. 798 lid Pro 1, eerste volzin, Rv houdt in dat in zaken van personen- en familierecht in andere zaken dan scheidingszaken als belanghebbende wordt aangemerkt “degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft”. Tot de in die bepaling beschermde rechten of verplichtingen behoren de rechten die worden beschermd door internationale verdragen, zoals het EVRM en het Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, voor zover daarop door een burger in rechte rechtstreeks een beroep kan worden gedaan. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens moet worden afgeleid dat een persoon die aanspraak kan maken op bescherming van zijn familie- en gezinsleven dan wel zijn privéleven, een en ander zoals voorzien in art. 8 lid 1 EVRM Pro, tevens aanspraak erop kan maken dat hij in voldoende mate betrokken wordt in het besluitvormingsproces dat kan leiden tot een inmenging in dat familie- en gezinsleven respectievelijk dat privéleven. Die aanspraak ziet mede op de gerechtelijke procedure, welke procedure op zichzelf tevens moet voldoen aan de eisen die voortvloeien uit art. 6 EVRM Pro. De door art. 8 EVRM Pro vereiste mate waarin en wijze waarop de belanghebbende bij het besluitvormingsproces wordt betrokken, is afhankelijk van de bijzondere omstandigheden van het geval en de aard en de mate van ingrijpendheid van de te nemen maatregelen. De vraag of een betrokkene belanghebbende is in de zin van art. 798 lid Pro 1, eerste volzin, Rv, dient dan ook te worden beantwoord met inachtneming van de zojuist genoemde, uit art. 8 EVRM Pro voortvloeiende eisen (HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:463, rov. 3.4.1-3.4.2 en 3.6.3-3.6.4
3.2.3.
Gelet op het voorgaande kan de door art. 798 lid Pro 1, eerste volzin, Rv bestreken kring van belanghebbenden niet in algemene zin worden afgebakend. Welke persoon of instelling als belanghebbende moet worden aangemerkt, wordt bepaald – aan de ene kant – door het onderwerp van de aan de rechter voorgelegde zaak en – aan de andere kant – door de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept. Slechts indien het onderwerp van de zaak ertoe kan leiden dat de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept, rechtstreeks door de rechterlijke beslissing worden geraakt, is die betrokkene in die zaak belanghebbende in de zin van art. 798 lid Pro 1, eerste volzin, Rv”
6.1.
Ingevolge artikel 798 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt voor toepassing van deze afdeling onder belanghebbende verstaan degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Mr. Nijssen heeft daartoe aangevoerd dat één van de doelen van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] is dat zij zowel met de vader als met de moeder contact kan hebben op een manier en in een frequentie/duur die aansluit bij de mogelijkheden en behoefte van [minderjarige] . Hiermee is aldus mr. Nijssen de ondertoezichtstelling in feite gericht op de effectuering van een of meer door artikel 8 EVRM Pro beschermde rechten van de moeder. De kinderrechter maakt uit het plan van aanpak ook op dat de doelen van de ondertoezichtstelling grotendeels zien op het contact tussen de moeder en [minderjarige] en de samenwerking tussen de ouders in de zorg voor [minderjarige] .
De begeleiding in het contact wordt verzorgd door de GI en zij heeft de uitbreiding daarvan in handen, althans zo begrijpt de kinderrechter. Een van de voorwaarden voor uitbreiding van het contact lijkt verder te zijn dat de moeder aan de slag gaat met haar eigen proces, zodat de omgang uiteindelijk beter en rustiger zal verlopen. De ondertoezichtstelling, althans de binnen de ondertoezichtstelling geformuleerde werkdoelen vormen, zijn onder meer gericht op het realiseren van één of meer door artikel 8 EVRM Pro beschermde rechten van de moeder. Nu de procedure rechtstreeks de bescherming van de door artikel 8 EVRM Pro beschermde rechten van de moeder raakt, kan de moeder er aanspraak op maken dat zij in voldoende mate wordt betrokken in de procedure die kan leiden tot een inmenging in deze rechten (ECLI:NL:GHDHA:2020:1253, ECLI:NL:GHARL:2021:9351). De kinderrechter is daarom van oordeel dat de moeder nog steeds als belanghebbende dient te worden aangemerkt in onderhavige procedure. Daar komt bij dat nog niet definitief is beslist op het verzoek tot eenhoofdig gezag van de vader. De kinderrechter acht het in het kader van onderhavige procedure nu onwenselijk om wijzigingen aan te brengen in de processuele positie van de moeder, nu er van de moeder het nodige wordt verwacht in het kader van de ondertoezichtstelling en de kinderrechter het in het belang van de moeder acht dat zij – in elk geval in het kader van onderhavige procedure – voldoende wordt betrokken in het besluitvormingsproces dat kan leiden tot een inmenging in van het gezins-, familie- en privéleven van de moeder. Hierbij heeft de kinderrechter ook betrokken dat ook in het kader van de samenwerking tussen de ouders het nodige zal worden verwacht van – onder meer – de moeder, alsmede ten aanzien van het oppakken van het eigen traject, hetgeen bepalend lijkt voor de GI om uitbreiding van het contact tussen [minderjarige] en de moeder te bewerkstelligen.
Stiefmoeder:
Onder een belanghebbende wordt verstaan degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking hebben, waarbij degene die niet de ouder is wordt aangemerkt als belanghebbende als hij de minderjarige op wie de zaak betrekking heeft ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin heeft verzorgd en opgevoed (artikel 798 Rv Pro). Uit de stukken blijkt dat de hiervan sprake is. De vader en de stiefmoeder van [minderjarige] hebben samen kinderen en lijken als gezin op te trekken. Daarnaast is de stiefmoeder in elk geval bij één doel van de ondertoezichtstelling betrokken, namelijk “beide ouders sluiten aan bij de specifieke opvoedbehoeften van [minderjarige] ”. Ook richt de gegeven IPT zich op zowel de vader als de stiefmoeder, waarbij hen (door middel van psycho-educatie) wordt geleerd om [minderjarige] beter om te leren gaan met haar emoties, dan wel deze te uiten. Ook de systeemtherapie zal aan hen tezamen worden gegeven. De stiefmoeder lijkt verder een belangrijke plek in te nemen in het leven van [minderjarige] . [minderjarige] lijkt ook toenadering te zoeken bij de stiefmoeder op momenten dat zij verdrietig is. Uit de stukken blijkt verder dat de IPT’er de vader en de stiefmoeder tezamen spreekt over de hulp vanuit IPT. Voor de kinderrechter is voldoende vast komen te staan dat de stiefmoeder al geruimde tijd nauw betrokken is bij de verzorging en opvoeding van [minderjarige] , dan wel bij de gegeven hulpverlening en wordt (onder meer) de stiefmoeder door IPT (en in het vervolg vanuit systeemtherapie) ondersteund om om te kunnen gaan bij de specifieke opvoedbehoeften van [minderjarige] . De kinderrechter zal de stiefmoeder derhalve in onderhavig verzoek aanmerken als belanghebbende. Hier is tijdens de zitting ook geen verweer tegen gevoerd.
Inhoudelijke beoordeling van het verzoek;
6.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom. [minderjarige] wordt nog steeds ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. [minderjarige] heeft de afgelopen jaren veel meegemaakt. Zij verblijft nu sinds eind oktober 2024 bij de vader en er lijkt nu steeds meer rust te komen in het leven van [minderjarige] , waardoor zij ruimte krijgt voor haar ontwikkeling. Hoewel nog zorgelijk, gaat ook de taal- spraak en motorische ontwikkeling van [minderjarige] vooruit. Sinds haar verblijf bij de vader heeft [minderjarige] weinig tot geen lichamelijke problemen gehad. [minderjarige] is in november 2025 gestart met speltherapie van [hulpverlening 2] . Zij zal hier de komende periode nog mee doorgaan, ondanks dat de speltherapeut aangeeft dat hiervoor niet een grote noodzaak wordt gezien. Verder wordt door betrokken hulpverlening gezien dat het voor [minderjarige] nog altijd erg lastig is om zich tussen haar ouders te bewegen. Tijdens bezoekmomenten met de moeder gebeurt het soms nog dat de moeder zich negatief uitlaat over de vader, zijn partner of andere zaken en [minderjarige] heeft hier last van. Daarnaast verlopen de emoties van de moeder niet altijd voorspelbaar, hetgeen verwarrend is voor [minderjarige] . Hoewel bezoekmomenten soms ook goed verlopen en waarbij de moeder de tips en adviezen van bezoekbegeleiding vanuit [begeleiding] dan goed toepast, lukt het de moeder niet om het geleerde vast te houden en kent zij met momenten een terugval. Ook lijkt het lastig voor de moeder om in te zien wat hetgeen [minderjarige] heeft meegemaakt in het verleden, met [minderjarige] heeft gedaan. Systeemtherapie (en daarvoor IPT) is inmiddels betrokken en gezien wordt dat de vader en de stiefmoeder hierin stappen zetten, hoewel zij nog wel een weg te gaan hebben. Systeemtherapie met de moeder komt niet op gang, nu is beoordeeld dat van belang is dat de moeder eerst aan de slag gaat met individuele hulpverlening. Hoe deze hulpverlening eruit moet komen te zien, wordt nog onderzocht. Belangrijk is dat de moeder hierin wordt ondersteund.
6.3.
In april 2026 staat de pro forma datum omtrent het verzoek eenhoofdig gezag gepland, waarbij de GI de rechtbank dient te rapporteren over de voortgang. Gelet daarop alsmede gelet op hetgeen de kinderrechter hiervoor heeft overwogen, is de kinderrechter van oordeel dat de ondertoezichtstelling nog nodig is om de doelen te behalen. Tussen de ouders is nog geen vorm van samenwerking of communicatie en daarnaast is gebleken dat zowel de vader en de stiefmoeder en de moeder nog stappen te zetten hebben in het hulpverleningsproces. Om deze hulpverlening te monitoren en zo nodig bij te sturen, acht de kinderrechter de betrokkenheid van de jeugdbeschermer nog noodzakelijk. Daarnaast is op dit moment uitgesloten dat het de ouders tezamen lukt om te werken aan de doelen vanuit de ondertoezichtstelling, teneinde het veilig verder opgroeien van [minderjarige] te kunnen realiseren. Daarbij komt dat de kinderrechter de betrokkenheid vanuit de ondertoezichtstelling ook noodzakelijk acht om de voortgang te kunnen behouden in het kader van de procedure omtrent het gezag en de mogelijke stappen die daaruit voortkomen. Daarom is de kinderrechter van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd en zij zal dit doen voor de duur van een jaar. De kinderrechter verwacht dat deze periode in elk geval noodzakelijk zal zijn om te werken aan de doelen zoals geformuleerd in het gezinsplan.
6.4.
De kinderrechter verzoekt de GI tot slot om de mogelijkheden te onderzoeken om de moeder in elk geval vóór en zo nodig ook na de bezoeken met [minderjarige] te ondersteunen. Gebleken is namelijk dat de bezoekmomenten ook veel spanning oproepen bij de moeder, waardoor zij stress ervaart en het overzicht verliest. [minderjarige] heeft hier vervolgens last van. Mogelijk kan de hulpverlening vanuit [hulpverlening 1] daar ten aanzien van de moeder een rol in spelen.
6.5.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6.6.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot met ingang van 28 februari 2026 en tot 28 februari 2027;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van Casant als griffier, en op schrift gesteld op 10 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.