Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2346

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
BRE 24/8022 ZW
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 6:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewet-uitkering wegens geschiktheid voor ander werk

Eiser was werkzaam als timmerman en ontving een Ziektewet-uitkering na ziekmelding. Het UWV beëindigde deze uitkering na een Eerstejaars Ziektewet-beoordeling, omdat eiser geschikt werd geacht voor andere functies waarmee hij meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. Eiser maakte bezwaar en stelde beroep in tegen de beëindiging.

De rechtbank beoordeelde het herziene bestreden besluit, waarbij het UWV op basis van medische rapportages concludeerde dat eiser weliswaar beperkingen heeft, maar deze niet zodanig zijn dat hij niet geschikt is voor de geduide functies. De psychische klachten en de diagnose dunnevezel-neuropathie werden meegewogen, maar leidden niet tot aanvullende beperkingen die de arbeidsgeschiktheid zouden beïnvloeden.

Eiser voerde aan dat de beperkingen groter zijn dan vastgesteld, onder meer door psychische problematiek en pijnklachten, maar de rechtbank volgde het medisch oordeel van het UWV. De toename van klachten na het verlies van zijn kind viel buiten de datum in geding en kon niet worden meegewogen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het herziene bestreden besluit ongegrond.

Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser vanwege de herziening van het bestreden besluit.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de beëindiging van de ZW-uitkering wegens geschiktheid voor ander werk.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/8022 ZW

uitspraak van 30 maart 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. V.M.C. Verhaegen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV; kantoor Breda), verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de uitkering van eiser op grond van de Ziektewet (ZW). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht de ZW-uitkering heeft beëindigd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de ZW-uitkering van eiser terecht heeft beëindigd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Feiten en omstandigheden

2. Eiser is vanaf 19 april 2022 werkzaam geweest als timmerman bij [B.V.] Op 12 oktober 2022 heeft eiser zich ziekgemeld. Met het besluit van 12 januari 2023 heeft het UWV aan eiser vanaf 11 januari 2023 een ZW-uitkering verstrekt. Met het besluit van 3 november 2023 heeft het UWV eisers ZW-uitkering beëindigd na een Eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWb) op 17 oktober 2023. Het UWV heeft daartoe overwogen dat eiser als gevolg van ziekte of gebrek ongeschikt is te achten voor het eigen werk, allround timmerman. Eiser wordt wel geschikt geacht voor ander werk, bijvoorbeeld Archiefmedewerker, Productiemedewerker industrie (samenstellen van producten), Assemblagemedewerker elektronische producten. Hiermee kan eiser meer dan 65% van zijn maatmaninkomen verdienen.
Eiser ontving vervolgens een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op 8 januari 2024 heeft eiser zich ziekgemeld. Eisers WW-uitkering is per 23 maart 2024 stopgezet. Vanaf 25 maart 2024 ontving eiser een ZW-uitkering. Met het besluit van 15 april 2024 heeft het UWV eisers ZW-uitkering beëindigd per 18 april 2024. Reden hiervoor is dat er geen veranderingen zijn ten opzichte van de eerdere EZWb en dat eiser belastbaar is voor de toen geduide functies.
Eiser heeft zich vanaf 19 april 2024 weer ziekgemeld. Met het besluit van 23 juli 2024 heeft het UWV aan eiser vanaf 22 april 2024 een voorschot ZW-uitkering verstrekt. Met het besluit van 27 augustus 2024 heeft het UWV aan eiser vanaf 19 april 2024 een ZW-uitkering verstrekt.

Procesverloop

3. Het UWV heeft met het besluit van 11 september 2024 (primair besluit) de ZW-uitkering van eiser beëindigd met ingang van 19 april 2024. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 5 november 2024 is het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
3.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.2.
Bij brief van 21 januari 2025 heeft het UWV het bestreden besluit ingetrokken. Met het bestreden besluit van 18 maart 2025 (herzien bestreden besluit) is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht geacht tegen het herziene bestreden besluit.
3.3.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, en mr. M. Duric namens het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid beroep tegen bestreden besluit
4. Omdat het bestreden besluit is gewijzigd met het herziene bestreden besluit, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank geen belang meer bij de beoordeling van het bestreden besluit. De rechtbank verklaart het beroep tegen dat besluit daarom niet-ontvankelijk.
De rechtbank zal daarom alleen het herziene bestreden besluit beoordelen.
Grondslag herziene bestreden besluit
5. Aan het herziene bestreden besluit ligt ten grondslag dat eiser geschikt is om de in de arbeidsdeskundige rapportage van 30 oktober 2023 geduide functies te verrichten. De rechtbank zal beoordelen of dit juist is. Zij doet dit aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
Wettelijk kader
6. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Toetsingskader
7. Bij de beoordeling of het herziene bestreden besluit juist is, is van belang of eiser medische beperkingen heeft en of hij daardoor niet in staat is ‘zijn arbeid’ in de zin van artikel 19 van Pro de ZW te verrichten. Onder zijn arbeid in de zin van de ZW wordt verstaan de laatst verrichte arbeid. Als er in het kader van de EZWb functies zijn geduid en eiser heeft daarna niet meer gewerkt, dan worden de geduide functies aangemerkt als ‘zijn arbeid’.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat de in het kader van de EZWb geduide functies aangemerkt moeten worden als ‘zijn arbeid’ in de zin van artikel 19 van Pro de ZW. Het gaat om de functies Archiefmedewerker, Productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) en Assemblagemedewerker elektronische producten.
Zijn de beperkingen juist vastgesteld?
8. Het herziene bestreden besluit is gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.
8.1.
De verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd en er heeft een spreekuur met eiser plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft aangegeven dat er beperkingen gelden ten opzichte van normaal functioneren. De klachten van eiser zijn plausibel gezien de medische situatie en zijn consistent met externe bevindingen en de bevindingen van de verzekeringsarts. Het is reëel om uit te gaan van een zekere lichamelijke kwetsbaarheid. Beperkingen zijn aan de orde om dit te ondervangen. Zo is eiser onder meer beperkt voor (frequent) buigen, zwaarder duwen/trekken, zwaarder tillen/dragen, langdurig lopen, frequent traplopen, frequent klimmen, frequent, knielen/hurken en langdurig staan. De verzekeringsarts kan echter op basis van de huidige onderzoeksgegevens geen beperkingen destilleren die de maatgevende functie niet mogelijk maken. Een nadere bestudering van de maatstaf (te weten de geduide functies) laat namelijk zien dat de daadwerkelijke belasting van deze functies binnen de belastbaarheid van eiser vallen. Verder zijn bij het onderzoek geen verdere aanwijzingen gevonden van belemmeringen in het functioneren die het eigen werk niet mogelijk maken. Bij het contact met de verzekeringsarts kwam de psychische problematiek duidelijk naar voren. Echter komt ook naar voren dat er een duidelijke knik in eisers functioneren in juni 2024 is ontstaan (na verlies van zijn kind). Deze datum valt echter buiten de datum van melding arbeidsongeschiktheid (en valt ook niet binnen de periode van vier weken hierna, waardoor van nawerking ook geen sprake is). Tevens dient daarbij de kanttekening geplaatst te worden dat overmatige psychische belasting (zoals bijvoorbeeld bij veelvuldige storingen/onderbrekingen, productiepieken/deadlines, handelingstempo en omgaan met conflictsituaties) evenmin aan de orde is bij de geduide functies. Hoewel er dus sprake is van beperkingen voor arbeid, is er geen reden om te oordelen dat eiser niet geschikt is voor zijn maatstaf. De ZW is dan ook niet van toepassing per geclaimde datum.
8.2.
De verzekeringsarts b&b heeft de dossiergegevens bestudeerd en er heeft een spreekuurcontact met eiser plaatsgevonden. De verzekeringsarts b&b heeft overwogen dat eiser op de datum in geding, 19 april 2024, geschikt is te achten voor het ‘eigen werk’, te weten de geduide functies. Uit de primaire medische rapportage blijkt dat de ervaren klachten en aandoeningen bekend waren. Ook blijkt dat de ervaren klachten vanwege de aandoeningen passend zijn bij de eerder opgestelde belastbaarheid. Hoewel eiser aangeeft dat zijn klachten zijn toegenomen, is er geen aanleiding om aanvullende beperkingen aan te nemen per datum in geding. Uit de primaire rapportage blijkt immers dat de klachten sinds 2022 voortduren en in eerdere beoordelingen zijn meegenomen. Dat een ander diagnose, namelijk dunnevezel-neuropathie (DVN), is vastgesteld, is geen direct aanleiding voor het aannemen van aanvullende beperkingen. Immers is de diagnose op zich niet doorslaggevend bij het vaststellen van de beperkingen in arbeid.
Bij het vaststellen van de beperkingen is niet doorslaggevend hoe de klachten worden ervaren maar wat medisch objectief is vast te stellen. Uit de primaire rapportage blijkt dat eiser gedurende de dag samen met zijn echtgenote huishoudelijke taken verricht, zijn eigen administratie doet en gebruikmaakt van de fiets of gaat lopen. Ook blijkt uit de medische informatie van de neuroloog van 22 april 2024 dat bij onderzoek de kracht maximaal is in de bovenste en onderste extremiteiten en dat atrofie niet wordt waargenomen. In de sensibiliteit werden afwijkingen gevonden: aan de linkerkant (de voet) is een doof gevoel bij koppuntdiscriminatie onderzoek. Er is geen aanleiding voor aanvullende beperkingen daar de belastbaarheid ten aanzien van lopen en staan al meegenomen is in de geduide functies. Daarnaast blijkt uit de medische informatie van de neuroloog dat medicamenteuze pijnbehandeling met pregabaline goed effect heeft.
De ervaren toename van klachten na verlies van eisers dochtertje in juni 2024 vallen buiten het bestek van deze heroverweging gezien de datum in geding 19 april 2024.
8.3.
Eiser heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat het UWV eiser ten onrechte arbeidsgeschikt acht voor de geduide functies uitgaande van een zich niet in het dossier opgenomen FML. Ter zitting heeft eiser bevestigd dat hij de FML alsnog heeft ontvangen.
Met betrekking tot de overweging van de verzekeringsarts b&b dat de ervaren toename van klachten na verlies van eisers dochtertje buiten het bestek van de herbeoordeling vallen, heeft eiser aangevoerd dat hij al zijn hele leven aan het overleven is en de psychische klachten op de datum in geding aanwezig waren. Eiser verwijst daarbij naar het onderzoeksverslag van 13 maart 2025 en het verslag van de neuroloog van 22 april 2024. Verder zien de beperkingen in de rubrieken persoonlijk functioneren en sociaal functioneren enkel op het medicijngebruik en deze geven de bestaande beperkingen onvoldoende weer. Eiser heeft een verwijzing van 16 december 2024 naar de specialistische GGZ wegens agressieproblematiek overgelegd. In het medisch onderzoeksverslag van 12 april 2024 wordt opgemerkt dat eiser melding maakt van een kort lontje, veel mentale druk ervaart, last heeft van stress en zich somber voelt over de situatie in relatie tot de zorg voor zijn gezin. Waar eiser met deze klachten eerder geen verwijzing wenste deden de psychische klachten op de datum in geding zich wel degelijk voor. In het behandelplan van 25 juni 2025 wordt melding gemaakt van antisociaal gedrag. Aangegeven wordt dat eiser weinig tegen drukte kan, prikkelbaar is en verhoogde problemen met concentratie ervaart.
Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat de diagnose DVN wel degelijk een objectivering van zijn klachten geeft. Het is juist dat bij DVN geen sprake is van krachtverlies. Door de heftige brandende prikkelende pijn in handen en voeten heeft de aandoening grote invloed op het dagelijks leven van een patiënt. Dat de diagnose DVN niet tot aanvullende beperkingen leidt, wordt betwist. Eiser ervaart door de DVN in het dagelijks leven evenwichtsstoornissen. De pijnklachten in de bekken links doortrekkend naar het linkerbeen leiden tot beperkingen in het lopen en soms door het doorzakken van het been tot valgevaar. Door de DVN bestaan problemen met de stoelgang. Vanwege de chronische aanwezigheid van pijnklachten werd begin 2025 een Transcutane Elektro Neuro Stimulatie (TENS) aangemeten. Eiser lijdt aan slapeloosheid. Door de slaapproblematiek in combinatie met de altijd aanwezige pijnklachten dient een urenbeperking te worden aangenomen.
Eiser concludeert dat er aanvullende beperkingen dienen te worden aangenomen met betrekking tot de rubrieken persoonlijk functioneren, sociaal functioneren, dynamische handelingen en werktijden.
8.4.
De verzekeringsarts b&b ziet in het beroepschrift geen aanleiding om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. Het overgelegde document over DVN is algemeen en niet toegespitst op eiser. Met betrekking tot de aanvullende informatie over de psychische problematiek van eiser wordt overwogen dat dit wél is betrokken bij de medische rapportage van 12 april 2024. De daarin opgenomen informatie wijst niet per se naar een onderliggend psychiatrisch ziektebeeld. Eiser was niet onder behandeling en wilde dat ook niet. Ook in de medische rapportage van 12 september 2024 is aandacht besteed aan de psychische problematiek van eiser. Er wordt specifiek gewezen op de overweging dat er een duidelijke knik in eisers functioneren in juni 2024 is ontstaan (na verlies van zijn kind).
Er wordt in beroep een spoedverwijzing naar de WAAG (centrum voor ambulante
Forensische GGZ) per 16 december 2024 overgelegd. Daaruit blijkt dat eiser heeft aangegeven sinds juni weer een toename van klachten te hebben. Deze zijn mogelijk toegenomen door het verlies van zijn kind. Uit het ingediende behandelplan blijkt dat de volgende (beschrijvende) diagnose is gesteld: trekken van een antisociale en borderline persoonlijkheidsstoornis. Op zich leidt dit niet tot beperkingen voor arbeid. Wel is duidelijk dat het trauma van het doodgeboren kind de klachten in combinatie met deze
persoonlijkheidstrekken heeft versterkt en dat deze geleidelijk zijn toegenomen. In beroep wordt gesteld dat eiser al zijn hele leven bezig is te overleven, maar niet duidelijk wordt op welke medische informatie deze visie gestoeld is. De situatie zoals beschreven in het behandelplan en de toename van klachten dateren van ná de datum in geding en worden daarom niet meegewogen bij de beoordeling.
8.5.
De rechtbank overweegt dat in de uitspraak van 23 december 2022 [1] van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) een stappenplan is opgenomen voor de manier waarop het UWV in een zaak als deze moet vaststellen of eiser - bij een ziekmelding na een EZWb - geschikt is voor ‘zijn’ werk. Het stappenplan luidt als volgt:
1. zijn de beperkingen bij de nieuwe ziekmelding toegenomen ten opzichte van de beperkingen vastgesteld bij EZWb? Zo nee, dan is deze vaststelling voldoende om de weigering van ZW te kunnen dragen.
2. zijn de beperkingen toegenomen, dan zal beoordeeld moeten worden of de eerder geduide functies geschikt zijn. Deze beoordeling kan in 1e instantie beperkt blijven tot de medische geschiktheid. Als er ook arbeidskundige gronden naar voren worden gebracht, zullen die ook beoordeeld moeten worden.
3 als een of meer functies niet geschikt zijn, moeten er, van de oorspronkelijk geselecteerde functies, tenminste 3 geschikte functies met 3 arbeidsplaatsen overblijven die leiden tot een mate van arbeidsgeschiktheid van tenminste 65%.
8.6.
De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Niet gebleken is dat de verzekeringsartsen de beperkingen van eiser hebben miskend. Blijkens de rapportages hebben de verzekeringsartsen het dossier en de aanwezige medische informatie bestudeerd en betrokken bij de beoordeling. Anders dan eiser ter zitting heeft betoogd, blijkt uit de rapportages niet dat zij een onjuist of onvolledig beeld hadden van de klachten en belastbaarheid van eiser.
Naar het oordeel van de rechtbank is de door eiser gestelde toename van zijn beperkingen niet medisch objectiveerbaar. De rechtbank kan de verzekeringsartsen volgen dat uit de in het dossier aanwezige medische gegevens niet blijkt dat eiser op de datum in geding meer beperkt was dan ten opzichte van de EZWb. Met betrekking tot de psychische problematiek blijkt uit de medische gegevens een duidelijke knik in eisers functioneren ná de datum in geding, namelijk in juni 2024 na het verlies van zijn kind. In de in beroep overgelegde medische gegevens ziet de rechtbank bevestiging voor dat standpunt van de verzekeringsartsen.
Dat inmiddels de diagnose DVN is gesteld in plaats van fibromyalgie, heeft de verzekeringsartsen niet tot een andere conclusie hoeven leiden. Gelet op vaste rechtspraak is immers het stellen van een diagnose niet bepalend voor de vraag of arbeidsbeperkingen moeten worden aangenomen. [2] De verzekeringsartsen hebben verder de onderliggende klachten voldoende meegewogen in hun beoordeling.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzekeringsartsen geen aanleiding hoeven zien om een urenbeperking aan te nemen. De verzekeringsartsen hebben kunnen overwegen dat met de aangenomen beperkingen de vermoeidheidsklachten voldoende worden ondervangen en dat er met goed passende arbeid noch op aanvullende energetische grond noch op preventieve grond reden is om een urenbeperking aan te nemen. Eiser heeft niet met medische gegevens onderbouwd dat desondanks een urenbeperking noodzakelijk is. De verzekeringsarts b&b heeft in de ter zitting overgelegde aangepaste rapportage navolgbaar overwogen dat ook de gestelde slapeloosheid geen aanleiding geeft om eiser een urenbeperking te geven.
Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank ten aanzien van de medische beoordeling geen aanleiding om een onafhankelijk deskundige te benoemen, zoals eiser ter zitting heeft verzocht.
8.7.
Gelet op het in 8.5. opgenomen stappenplan komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de eerder geduide functies geschikt zijn en aan bespreking van de beroepsgronden hierover.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep tegen het bestreden besluit is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het herziene bestreden besluit is ongegrond.
9.1.
De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat het UWV het griffierecht aan eiser dient te vergoeden, nu het bestreden besluit is herzien. De rechtbank zal het UWV ook veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten met betrekking tot het bestreden besluit. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,-.
Beslissing
De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het herziene bestreden besluit ongegrond;
  • bepaalt dat het UWV het door eiser betaalde griffierecht van € 51,- vergoedt;
  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 30 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage wettelijk kader

De verzekerde die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek heeft recht op ziekengeld (artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW).
Onder “zijn arbeid” als bedoeld in artikel 19 van Pro de ZW wordt verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt uitzondering, wanneer de verzekerde – na een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in het kader van de WIA of een EZWb – niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer ziek meldt. Ziekengeld kan in zo’n geval worden geweigerd wanneer is voldaan aan de volgende twee, cumulatieve, voorwaarden:
1. van de oorspronkelijk bij de EZWb of WIA geselecteerde functies, met inbegrip van de functies die als reservefuncties aan de betrokkene zijn voorgehouden, zijn op de datum in geding ten minste drie functies met elk ten minste drie arbeidsplaatsen voor de verzekerde geschikt gebleven, én
2. op basis van die functies – gelet op de loonwaarde die die functies ten tijde van de EZWb of WIA vertegenwoordigden, afgezet tegen het bij de EZWb of WIA geldende maatmaninkomen – is nog steeds sprake van een arbeidsgeschiktheid van ten minste 65%. Daarbij is niet van belang of de oorspronkelijke functies ten tijde van de latere ziekmelding nog in het CBBS aanwezig zijn. Evenmin is van belang of die functies ten tijde van de nieuwe ziekmelding op onderdelen qua belasting en/of beloning inmiddels zijn gewijzigd. [3]

Voetnoten

2.Bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 30 januari 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:268).