Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2364

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
BRE 23/11288
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:20 AwbArt. 3:40 AwbArt. 3:41 AwbArt. 7:10 AwbArt. 4:17 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen niet tijdig beslissen en onterechte niet-ontvankelijkverklaring bezwaar aanmaningskosten

Belanghebbende maakte bezwaar tegen aanmaningskosten die door de invorderingsambtenaar in rekening waren gebracht bij een aanslag forensenbelasting 2022. De invorderingsambtenaar besloot niet tijdig op het bezwaar en verklaarde het bezwaar later kennelijk niet-ontvankelijk, zonder een besluit tot terugbetaling schriftelijk bekend te maken.

De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is omdat alsnog een uitspraak op bezwaar is gedaan. De uitspraak op bezwaar wordt echter vernietigd omdat de niet-ontvankelijkverklaring onterecht was. De invorderingsambtenaar had het besluit tot terugbetaling schriftelijk moeten nemen en bekendmaken.

Verder verbeurt de invorderingsambtenaar een dwangsom van €1.442,- wegens de te late beslissing en is wettelijke rente verschuldigd vanaf 28 februari 2024. De rechtbank veroordeelt de invorderingsambtenaar tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.

Uitkomst: Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar wordt gegrond verklaard, de aanmaningskosten worden vernietigd en de invorderingsambtenaar moet een dwangsom en wettelijke rente betalen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11288
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 30 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

(gemachtigde: mr.drs. J.C. Scherff),
en

de invorderingsambtenaar van SaBeWa, de invorderingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende dat ziet op het door de invorderingsambtenaar niet tijdig beslissen op het bezwaar van 31 augustus 2023 tegen de in rekening gebrachte aanmaningskosten. Daarnaast beoordeelt de rechtbank de uitspraak op bezwaar van de invorderingsambtenaar van 20 juni 2024.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft namens de invorderingsambtenaar mr. [naam] deelgenomen. De gemachtigde van belanghebbende heeft zich afgemeld voor de zitting.

Feiten

2. Aan belanghebbende is een aanslag forensenbelasting over het jaar 2022 opgelegd. Op 20 juli 2023 heeft de invorderingsambtenaar aan belanghebbende een aanmaning gestuurd en daarbij € 18,- aanmaningskosten in rekening gebracht.
2.1.
Belanghebbende heeft bij brief van 31 augustus 2023 bezwaar gemaakt tegen de in rekening gebrachte aanmaningskosten.
2.2.
Bij brief van 8 november 2023 heeft belanghebbende de invorderingsambtenaar laten weten dat nog geen uitspraak is gedaan op het bezwaar tegen de in rekening gebrachte aanmaningskosten en verzocht alsnog uitspraak te doen.
2.3.
De invorderingsambtenaar heeft op 20 juni 2024 het bezwaar tegen de aanmaningskosten kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Hierbij heeft de invorderingsambtenaar tevens besloten dat geen dwangsom verschuldigd is.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak eerst het beroep dat is ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar door de invorderingsambtenaar. Omdat de invorderingsambtenaar vervolgens alsnog uitspraak op bezwaar heeft gedaan, beoordeelt de rechtbank ook die uitspraak op bezwaar. Daarbij is in geschil of het bezwaar terecht kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. Tevens is in geschil of belanghebbende recht heeft op een dwangsom.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep voor zover het ziet op het niet tijdig beslissen op het bezwaar niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Verder is de rechtbank van oordeel dat de invorderingsambtenaar het bezwaar ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard en ten onrechte geen dwangsom heeft toegekend. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Niet tijdig beslissen op bezwaar
3.2.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen van de invorderingsambtenaar op het bezwaar. Vast staat dat de invorderingsambtenaar op 20 juni 2024 uitspraak op bezwaar heeft gedaan. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende geen belang meer heeft bij een uitspraak op het beroep tegen het niet tijdig beslissen, omdat in de beroepsfase alsnog een uitspraak op bezwaar is gedaan. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar is daarom niet-ontvankelijk.
3.3.
Nu de invorderingsambtenaar alsnog uitspraak op bezwaar heeft gedaan, heeft het beroep tegen het niet tijdig beslissen als uitgangspunt van rechtswege mede betrekking op het alsnog genomen besluit. [1]
Uitspraak op bezwaar
3.4.
Belanghebbende heeft op 31 augustus 2023 bezwaar gemaakt tegen de in rekening gebrachte aanmaningskosten. De invorderingsambtenaar stelt dat op 15 augustus 2023 reeds ambtshalve besloten is tot terugbetaling van de aanmaningskosten. Belanghebbende stelt hiervan nooit een bericht te hebben ontvangen.
3.5.
De invorderingsambtenaar stelt dat op grond van artikel 75.6 van de Leidraad invordering Sabewa Zeeland aanmaningskosten niet verschuldigd zijn bij vermindering van belastingaanslagen en dat volgens de laatste volzin van dit artikel in een dergelijk geval ambtshalve tot terugbetaling wordt besloten.
3.6.
De rechtbank overweegt dat dit niet wegneemt dat daarvoor wel een besluit nodig is. Een besluit treedt niet in werking voordat het is bekendgemaakt. [2] Een besluit wordt bekendgemaakt door toezending of uitreiking aan de belanghebbende. [3] De invorderingsambtenaar heeft geen besluit overgelegd waaruit volgt dat de aanmaningskosten zouden worden terugbetaald. De invorderingsambtenaar had het (ambtshalve) besluit schriftelijk moeten nemen en bekend moeten maken aan belanghebbende. De invorderingsambtenaar heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit is gebeurd. Dit betekent dat op het moment dat belanghebbende bezwaar maakte nog sprake was van in rekening gebrachte aanmaningskosten, zodat het bezwaar tegen de aanmaningskosten ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard.
Dwangsom
3.7.
De rechtbank stelt vast dat belanghebbende in zijn brief van 8 november 2023 de invorderingsambtenaar in gebreke heeft gesteld zoals bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb. Het besluit van de invorderingsambtenaar inzake de aanmaningskosten had als dagtekening 20 juli 2023. De bezwaartermijn liep tot en met 31 augustus 2023. De termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar liep dus tot en met 12 oktober 2023. [4] De invorderingsambtenaar heeft op 20 juni 2024, en dus niet tijdig, uitspraak op bezwaar gedaan. De invorderingsambtenaar verbeurt vanaf de vijftiende dag na ontvangst van de ingebrekestelling een dwangsom voor het maximum van 42 dagen. [5] Belanghebbende heeft recht op de maximale dwangsom van € 1.442,-. [6]
Wettelijke rente
3.8.
De rechtbank ziet aanleiding voor vergoeding van wettelijke rente over de dwangsom zoals door belanghebbende is verzocht. Artikel 4:18 van Pro de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan de verschuldigdheid en de hoogte van een ingevolge artikel 4:17 van Pro de Awb verschuldigde dwangsom vaststelt bij beschikking binnen twee weken na de laatste dag waarover die dwangsom verschuldigd was. In casu is 3 januari 2024 de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was. De invorderingsambtenaar had binnen twee weken, dus uiterlijk op 17 januari 2024, de verschuldigde dwangsom bij beschikking moeten vaststellen.
3.9.
Op grond van artikel 4:85, lid 1, letter b, Awb is deze dwangsom een bestuursrechtelijke geldschuld, waarop het bepaalde in titel 4.4 van de Awb van toepassing is. [7] Dit brengt mee dat wettelijke rente is verschuldigd vanaf het tijdstip waarop de invorderingsambtenaar in verzuim zou zijn geweest indien de beschikking op de laatste dag van de daarvoor gestelde termijn zou zijn gegeven. [8] Indien de invorderingsambtenaar de dwangsom uiterlijk op 17 januari 2024 zou hebben vastgesteld, zou hij het bedrag uiterlijk op 28 februari 2024 hebben moeten betalen. [9] Aangezien hij dat heeft nagelaten is de wettelijke rente verschuldigd vanaf 28 februari 2024 tot de dag van betaling.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen de alsnog gedane uitspraak op bezwaar is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en zal zelf in de zaak voorzien door ook de aanmaningskosten te vernietigen. Daarnaast bepaalt de rechtbank dat de invorderingsambtenaar een dwangsom heeft verbeurd van € 1.442,- vermeerderd met de wettelijke rente.
4.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de invorderingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De invorderingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend en een beroepschrift ingediend. Omdat de zaak een licht gewicht heeft, is wegingsfactor 0,5 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 800,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het alsnog genomen besluit gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vernietigt het besluit tot het in rekening brengen van aanmaningskosten;
  • stelt de door de invorderingsambtenaar verbeurde dwangsom vast op € 1.442,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2024 tot de dag van betaling;
  • bepaalt dat de invorderingsambtenaar het griffierecht van € 50,- aan belanghebbende moet vergoeden;
  • veroordeelt de invorderingsambtenaar tot betaling van € 800,- aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 3:40 van Pro de Awb.
3.Artikel 3:41 van Pro de Awb.
4.Artikel 7:10, eerste lid, van de Awb.
5.Artikel 4:17, eerste lid en derde lid, van de Awb.
6.Artikel 4:17, tweede lid, van de Awb.
7.Hoge Raad 13 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1774.
8.Artikel 4:102, tweede lid, van de Awb.
9.Artikel 4:87, eerste lid, van de Awb.