Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2417

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
25/3044
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswettenArt. 8:51a AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:106 AwbArt. 54 WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging UWV-besluit over toekenning WIA-uitkering wegens onvoldoende motivering benutbare mogelijkheden

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het beroep van eiseres tegen het UWV-besluit om een WIA-uitkering toe te kennen aan een ex-werknemer met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% per 1 juni en 1 juli 2022. De ex-werknemer was uitgevallen wegens medische klachten en had diverse uitkeringen ontvangen, waaronder Ziektewet en Werkloosheidswet. Het UWV baseerde het besluit op medische rapporten van verzekeringsartsen die spraken van toegenomen beperkingen door dezelfde ziekteoorzaak.

Eiseres betwistte dat er op genoemde data sprake was van geen benutbare mogelijkheden, zoals vereist volgens het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. De rechtbank oordeelt dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd dat de ex-werknemer op 1 juni 2022 een ziekenhuisopname had met een prognose van minimaal drie maanden, wat volgens de toelichting vereist is. Ook voor 1 juli 2022 is onvoldoende onderbouwd dat de ex-werknemer dermate afhankelijk was bij activiteiten van het dagelijks leven dat hij lichamelijk niet zelfredzaam was.

De rechtbank stelt dat het UWV een verzwaarde motiveringsplicht heeft bij betwisting door een belanghebbende werkgever en dat het ontbreken van een arbeidsdeskundig onderzoek en Functionele Mogelijkheden Lijst een gebrek is. Daarom wordt het bestreden besluit vernietigd en krijgt het UWV de opdracht binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt het griffierecht en proceskosten aan eiseres vergoed.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het UWV-besluit tot toekenning van de WIA-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van geen benutbare mogelijkheden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3044 WIA

uitspraak van 1 april 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] B.V.),

uit [plaats] , eiseres,
(gemachtigde: mr. drs. E.C. Spiering),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV; kantoor Rotterdam), verweerder.
(gemachtigde: mr. C. Nobel)

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de toekenning van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aan de ex-werknemer van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht de WIA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% heeft toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de ex-werknemer op 1 juni 2022 en op 1 juli 2022 geen benutbare mogelijkheden had en dus 80 tot 100% arbeidsongeschikt was. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. De ex-werknemer is als uitzendkracht werkzaam geweest voor eiseres. Voor die werkzaamheden is hij op 3 juni 2019 uitgevallen wegens medische klachten. Als gevolg van zijn ziekmelding is het dienstverband per 5 juni 2019 beëindigd. Per die datum heeft de ex-werknemer een uitkering ontvangen op grond van de Ziektewet (ZW). Na het doorlopen van de wachttijd heeft de ex-werknemer een WIA-aanvraag ingediend. Het UWV heeft met het besluit van 2 juni 2021 geweigerd per 31 mei 2021 aan de ex-werknemer een WIA-uitkering toe te kennen. Per die datum is aan de ex-werknemer een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. De ex-werknemer heeft zich vanuit de WW-uitkeringssituatie ziekgemeld op 11 januari 2022. Het UWV heeft met het besluit van 8 februari 2022 geweigerd om aan de ex-werknemer een ZW-uitkering toe te kennen.
2.1.
De ex-werknemer heeft zich vervolgens per 1 juni 2022 opnieuw ziekgemeld vanuit de WW-uitkeringssituatie. Het UWV heeft met besluit van 1 september 2022 een ZW-uitkering toegekend per 31 augustus 2022. Na het doorlopen van de wachttijd heeft de ex-werknemer een WIA-aanvraag ingediend.
2.2.
Met het besluit van 14 mei 2024 (primair besluit 1) heeft het UWV aan de ex-werknemer een loongerelateerde WIA-uitkering toegekend met ingang van 1 juni 2022 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met het besluit van 14 mei 2024 (primair besluit 2) heeft het UWV aan de ex-werknemer een loonaanvullingsuitkering toegekend met ingang van 1 juli 2022 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
2.3.
Met het bestreden besluit van 30 april 2025 zijn de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 7 januari 2026 middels beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Grondslag van het bestreden besluit
4. Aan het bestreden besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat er sprake is van toegenomen beperkingen op basis van dezelfde ziekteoorzaak, waarvoor de ex-werknemer in het verleden de WIA-wachttijd heeft volbracht en waardoor de ex-werknemer voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt is wegens het ontbreken van geen benutbare mogelijkheden. De rechtbank zal beoordelen of dit juist is.
Is de belastbaarheid juist vastgesteld?
5. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.
5.1.
Verzekeringsgeneeskundige beoordelingen door het UWV
De verzekeringsarts heeft de ex-werknemer in het kader van de WIA-beoordeling gezien op het spreekuur van 22 april 2024. Uit de rapportage blijkt dat er sprake is van een toename van de langer bestaande knieklachten, ptss, status na myocardinfarct en diabetes mellitus. De verzekeringsarts komt tot de conclusie dat er per 1 juni 2022 sprake is van toegenomen beperkingen voortkomend uit dezelfde ziekteoorzaak. Gelet op de intensieve behandeling en lange herstelperiode was er op 1 juni 2022 sprake van geen benutbare mogelijkheden. Omdat er op korte termijn (in mei 2024) opnieuw een operatie plaatsvindt met een lange herstelperiode, is ook heden nog sprake van geen benutbare mogelijkheden. De functionele mogelijkheden kunnen nog wel toenemen en daarom kan over een jaar een herbeoordeling overwogen worden.
De verzekeringsarts b&b heeft het dossier bestudeerd en rapportage uitgebracht op 23 april 2025. De verzekeringsarts b&b heeft zich aangesloten bij het oordeel van de primaire verzekeringsarts. De ex-werknemer was al langer bekend met linker knieklachten als gevolg van kruisbandletsel. Hierdoor was de ex-werknemer reeds in 2021 aangewezen op knie besparende arbeid. Voor de knieklachten was een operatie nodig op 1 juni 2022. Er kan daarom gesteld worden dat de eventuele toegenomen beperkingen voortkomend uit deze ingreep het gevolg zijn van dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor in 2021 beperkingen zijn toegekend. Ook vonden de ingreep en de toename van beperkingen plaats binnen vijf jaar na de eerste WIA-beoordeling. Na de ingreep is de knie minimaal zes weken niet volledig belastbaar en is er sprake van een sterk verminderde mobiliteit. Het is daarom redelijk om uit te gaan van een marginale belastbaarheid. Gelet op het gegeven dat het herstel van de ex-werknemer stagneerde is het redelijk om ervan uit te gaan dat er ook op 1 juli 2022 nog geen sprake is van reële mogelijkheden in werk.
De verzekeringsarts b&b heeft in beroep een aanvullende rapportage uitgebracht. Daarin geeft hij aan dat eiser op 1 juli 2022 herstellende was van een operatie aan de knie. Dit geeft in de eerste weken forse beperkingen in onder andere de mobiliteit. Eiser gaf daarbij aan dat hij afhankelijk was van derden voor de zelfzorg. Gezien de medische ingreep en het beloop zijn een marginale belastbaarheid dan wel volledige arbeidsongeschiktheid op basis van een nog beperkte zelfredzaamheid en ADL-afhankelijkheid kort na de ingreep voldoende plausibel.
5.2.
Beroepsgronden
Eiseres is het oneens met de beoordeling van het UWV dat op 1 juni 2022 en op 1 juli 2022 sprake was van geen benutbare mogelijkheden. Slechts in een limitatief aantal situaties kan op grond van het Schattingsbesluit Arbeidsongeschiktheidswetten worden aangenomen dat benutbare mogelijkheden afwezig zijn. De situatie van de ex-werknemer voldoet niet aan één van deze uitzonderingen en daarom is de WIA-uitkering op onjuiste gronden toegekend. Daartoe is gesteld dat voor opname in een ziekenhuis geldt dat het moet gaan om een opname met een verwachte duur van drie maanden. Ter zitting is gesteld dat onvoldoende is gemotiveerd dat sprake was van ADL-afhankelijkheid. De belastbaarheid van de ex-werknemer had in kaart moeten worden gebracht.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
Beoordelingskader
5.3.1.
Het recht op een WIA-uitkering kan alsnog ontstaan indien iemand binnen vijf jaar, nadat de uitkering is geweigerd, omdat betrokkene minder dan 35 % arbeidsongeschikt is, toegenomen arbeidsongeschikt is. Van belang daarbij is dat die toegenomen arbeidsongeschiktheid moet voortvloeien uit dezelfde ziekteoorzaak. Ter zitting is door het UWV nader toegelicht dat bij de WIA-aanvraag met terugwerkende kracht is bekeken of per 1 juni 2022 sprake was van toegenomen beperkingen. Door eiseres is ter zitting bevestigd dat zij niet betwist dat er sprake is van toegenomen beperkingen voortvloeiend uit dezelfde ziekteoorzaak. Dit geschil spitst zich toe op de vraag of er sprake was van geen benutbare mogelijkheden.
5.3.2.
Verder is het vaste rechtspraak dat in het geval een belanghebbende werkgever een besluit over de (mate van) arbeidsongeschiktheid van een ex-werknemer betwist, de aard van de betrokken belangen meebrengt dat het UWV het besluit ten aanzien van die arbeidsongeschiktheid goed onderbouwt en inzichtelijk motiveert. [1] Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat voor het UWV een verzwaarde motiveringsplicht geldt.
Is sprake van geen benutbare mogelijkheden op 1 juni 2022?
5.3.3.
Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) wordt de beoordeling van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid of de mate van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid bedoeld in de Wet WIA gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidsdeskundig onderzoek. In het tweede lid, aanhef onder a en b is bepaald dat van het arbeidsdeskundig onderzoek kan worden afgezien gedurende de periode waarin uit het verzekeringsgeneeskundig onderzoek blijkt dat betrokkene geen benutbare mogelijkheden heeft of indien uit verzekeringsgeneeskundig onderzoek blijkt dat betrokkene benutbare mogelijkheden heeft maar dat hij die mogelijkheden naar verwachting binnen drie maanden zal verliezen, en dit verlies in een verzekeringsgeneeskundig onderzoek wordt vastgesteld. Benutbare mogelijkheden zijn volgens het vijfde lid alleen dan niet aanwezig indien:
a. betrokkene is opgenomen in een ziekenhuis of in een instelling,
b. betrokkene bedlegerig is;
c. betrokkene voor het uitvoeren van activiteiten van het dagelijks leven dermate afhankelijk is dat hij lichamelijk niet zelfredzaam is; of
d. betrokkene als gevolg van een ernstige psychische stoornis in zijn zelfverzorging, in zijn directe samenlevingsverband alsook in zijn sociale contacten, waaronder zijn werkrelaties, niet of dermate minimaal functioneert dat hij psychisch niet zelfredzaam is.
5.3.4.
Ter zitting is door het UWV nader toegelicht dat het aannemen van geen benutbare mogelijkheden op 1 juni 2022 is gebaseerd op de opname en operatie van de ex-werknemer op die dag. Hij kon die dag niet werken, dus is er sprake van geen benutbare mogelijkheden, aldus het UWV.
5.3.5.
In de Nota van Toelichting op het Schattingsbesluit staat over artikel 2, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit: “Onder opname in instelling wordt verstaan opname in een ziekenhuis of een AWBZ-erkende instelling, niet zijnde een TBS-instelling, en voor die opname geldt dat ten minste een duur van drie maanden geprognosticeerd moet zijn.” [2]
5.3.6.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat - anders dan het UWV stelt - er eisen worden gesteld aan de duur van een ziekenhuisopname, namelijk dat daarvoor een duur van drie maanden is geprognosticeerd. Dat is in deze zaak niet het geval. De ex-werknemer heeft op 1 juni 2022 een operatie aan zijn knie ondergaan en is op 2 juni 2022 ontslagen uit het ziekenhuis. Niet gebleken is dat de verwachting bestond dat de ex-werknemer langer opgenomen moest worden. Gelet daarop heeft het UWV onvoldoende gemotiveerd dat in dit geval op 1 juni 2022 sprake is geweest van een situatie als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit. De beroepsgrond slaagt.
Is sprake van geen benutbare mogelijkheden op 1 juli 2022?
5.3.7.
Ter zitting is door het UWV nader toegelicht dat het aannemen van geen benutbare mogelijkheden op 1 juli 2022 is gebaseerd op het lichamelijk niet zelfredzaam zijn na de operatie in combinatie met het tegenvallende herstel. Die vaststelling is gebaseerd op het eerstelijnsverslag.
5.3.8.
In de Nota van Toelichting op het Schattingsbesluit staat over artikel 2, vijfde lid, aanhef en onder c, van het Schattingsbesluit: “ADL-afhankelijkheid (dat is: afhankelijkheid bij het uitvoeren van activiteiten van het dagelijks leven) betreft zeer basale dagelijkse activiteiten, die van belang zijn voor de primaire fysieke zelfstandigheid, zoals eten en drinken, wassen, toiletgang, binnenshuis lopen en zitten.”
5.3.9.
Uit het eerstelijnsverslag en de bijbehorende vragenlijst blijkt dat de ex-werknemer heeft aangegeven dat hij hulp nodig heeft met zelfverzorging en huishoudelijke taken. Verder blijkt uit het eerstelijnsverslag dat de ex-werknemer op 25 juli 2022 nog met twee krukken liep en dat het herstel tegenviel. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit echter onvoldoende dat de ex-werknemer per 1 juli 2022 voor het uitvoeren van activiteiten van het dagelijks leven dermate afhankelijk was dat hij lichamelijk niet zelfredzaam was. Door het UWV is kennelijk niet nader uitgevraagd bij welke activiteiten de ex-werknemer hulp nodig had. Het voortbewegen met twee krukken leidt niet zonder meer tot het aannemen van ADL-afhankelijkheid. Ook de vaststelling dat de revalidatie een jaar zou duren en dat deze moeizaam verliep leidt niet tot een ander oordeel. Het UWV heeft daarmee onvoldoende onderbouwd dat er per 1 juli 2022 sprake was van een situatie zoals bedoeld in artikel 2, vijfde lid, aanhef en onder c, van het Schattingsbesluit. Voor zover het UWW zich op het standpunt stelt dat sprake is van marginale mogelijkheden heeft te gelden dat die mogelijkheden in kaart hadden moeten worden gebracht door middel van het opstellen van een Functionele Mogelijkheden Lijst, waarna een arbeidsdeskundig onderzoek had moeten plaatsvinden. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om met een tussenuitspraak het UWV op te dragen om het gebrek te herstellen of een ander besluit te nemen (een zogenoemde bestuurlijke lus van artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
6.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het UWV hiervoor twaalf weken. Deze termijn gaat op grond van artikel 8:106 van Pro de Algemene wet bestuursrecht pas lopen als de termijn om hoger beroep in te stellen is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, als daarop is beslist.
6.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser een vergoeding voor zijn proceskosten. Het UWV moet de proceskostenvergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt het UWV op binnen twaalf weken na de dag nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken, of als hoger beroep wordt ingesteld, de dag nadat daarop is beslist, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van J. Boer-IJzelenberg, griffier, op 1 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
rechter
De griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Artikel 55, eerste lid
Indien op de dag, bedoeld in artikel 54, tweede lid, geen recht op een WGA-uitkering is ontstaan, ontstaat het recht op een WGA uitkering op de dag dat de verzekerde gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, indien hij op de dag daaraan voorafgaand:
a
.recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering;
b. minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na:
  • 1°. de in artikel 54, tweede lid, bedoelde dag en voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid; of
  • 2°. de in artikel 49 bedoelde Pro dag en voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij eerder recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering; of
c. minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid intreedt binnen vier weken na:
  • 1°. de in artikel 54, tweede lid, bedoelde dag en voortkomt uit een andere oorzaak dan op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid; of
  • 2°. de in artikel 49 bedoelde Pro dag en voortkomt uit een andere oorzaak dan op grond waarvan hij eerder recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
Artikel 2
1. De arbeidsongeschiktheidsbeoordeling, bedoeld in de WAO, de Waz en de hoofdstukken 2 en 3 van de Wajong, de beoordeling van duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben als bedoeld in de hoofdstukken 1a, 2 en 3, van de Wajong, de beoordeling van het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in de ZW en de beoordeling van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid of de mate van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid, bedoeld in de Wet WIA, worden gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidsdeskundig onderzoek.
2. Van het arbeidsdeskundig onderzoek kan worden afgezien:
  • a. gedurende de periode waarin uit het verzekeringsgeneeskundig onderzoek blijkt dat betrokkene geen benutbare mogelijkheden heeft;
  • b. indien uit het verzekeringsgeneeskundig onderzoek blijkt dat betrokkene benutbare mogelijkheden heeft maar dat hij die mogelijkheden naar verwachting binnen drie maanden zal verliezen, en dit verlies in een verzekeringsgeneeskundig onderzoek wordt vastgesteld;
  • c. indien uit verzekeringsgeneeskundig onderzoek blijkt dat betrokkene benutbare mogelijkheden heeft maar dat hij wegens zijn terminale ziekte een zodanig slechte levensverwachting heeft dat hij die mogelijkheden naar verwachting binnen afzienbare termijn zal verliezen, en dit verlies in een verzekeringsgeneeskundig onderzoek wordt vastgesteld;
  • d. indien uit verzekeringsgeneeskundig onderzoek blijkt dat betrokkene zodanig wisselend belastbaar is voor arbeid dat betrokkene geen benutbare mogelijkheden heeft.
3. Indien uit het verzekeringsgeneeskundig onderzoek blijkt dat betrokkene geen benutbare mogelijkheden heeft maar betrokkene die mogelijkheden naar verwachting na verloop van een periode wel zal hebben, vindt na verloop van die periode opnieuw een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaats.
4. Het wisselend belastbaar zijn voor arbeid, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, wordt ten minste drie maal in een verzekeringsgeneeskundig onderzoek vastgesteld.
5. Benutbare mogelijkheden als bedoeld in het tweede tot en met het vierde lid zijn alleen dan niet aanwezig indien:
  • a. betrokkene is opgenomen in een ziekenhuis of in een instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet toelating zorginstellingen die zorg verleent waarop aanspraak bestaat ingevolge de Wet langdurige zorg, met uitzondering van een inrichting waar geestelijk gestoorde delinquenten van overheidswege verpleegd worden;
  • b. betrokkene bedlegerig is;
  • c. betrokkene voor het uitvoeren van activiteiten van het dagelijks leven dermate afhankelijk is dat hij lichamelijk niet zelfredzaam is; of
  • d. betrokkene als gevolg van een ernstige psychische stoornis in zijn zelfverzorging, in zijn directe samenlevingsverband alsook in zijn sociale contacten, waaronder zijn werkrelaties, niet of dermate minimaal functioneert dat hij psychisch niet zelfredzaam is.
6. Van het arbeidsdeskundig onderzoek kan worden afgezien indien de verzekeringsarts vaststelt dat betrokkene niet ongeschikt is tot het verrichten van zijn laatstelijk uitgeoefende arbeid.
7. Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 6 november 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4292) en 6 maart 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:425).
2.Staatsblad 2000, 307.