ECLI:NL:RBZWB:2026:2423

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
11550846 \ MB VERZ 25-257
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijk gegrond beroep tegen verkeersboete wegens parkeren op verboden tijd

Betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd wegens parkeren op een parkeergelegenheid op een tijdstip waarop dit volgens het onderbord verboden was op de Teteringsedijk te Breda op 15 december 2023 om 10.20 uur. Betrokkene voerde aan dat de gedraging niet had plaatsgevonden op de aangegeven locatie en dat de foto in het dossier een ander bord betrof. De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter.

De kantonrechter oordeelde dat op basis van de verklaring van de verbalisant voldoende vaststond dat de gedraging had plaatsgevonden en dat de bebording op de locatie in orde was. De stellingen van betrokkene boden geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de vaststelling. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak was overschreden, aangezien de procedure langer dan twee jaar duurde vanaf het opleggen van de boete.

Daarom werd het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard en de boete met 25% gematigd. Tevens werd de officier van justitie opgedragen het teveel betaalde bedrag aan betrokkene terug te betalen. De uitspraak werd gedaan door kantonrechter M.A.V. van Aardenne op 18 februari 2026 en is niet vatbaar voor hoger beroep.

Uitkomst: Beroep gedeeltelijk gegrond verklaard en boete met 25% gematigd wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer : 11550846 \ MB VERZ 25-257
CJIB-nummer : [cjib-nummer]
uitspraakdatum : 18 februari 2026
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam :
[betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene

Verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 18 februari 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. S.V. Oedayrajsingh Varma (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

Standpunten

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: parkeren op een parkeergelegenheid op dagen/uren waarop volgens onderbord verboden op de Teteringsedijk te Breda op 15 december 2023 om 10.20 uur.
Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging niet is verricht. De foto in het dossier betreft een bord op de Tilburgseweg [huisnummer] . De verweten gedraging zou echter zijn begaan op de Teteringsedijk, 1000 meter verderop.
Ter zitting heeft betrokkene hieraan toegevoegd dat er op de Teteringsedijk, aan de zijde van van de weg waar betrokkene stond geparkeerd, een bord ‘niet inrijden’ stond geplaatst. Het bord ‘niet parkeren’ stond geplaatst aan de andere zijde van de weg.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep deels gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Op basis van de verklaring van de verbalisant kan worden vastgesteld dat de bebording ten tijde van de gedraging aanwezig was. De zittings-vertegenwoordiger verzoekt wel de boete te matigen met 25% omdat de redelijke termijn is overschreden, maar het beroep voor het overige ongegrond te verklaren.

Overwegingen

Inhoudelijk
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. Uit deze verklaring blijkt dat de bebording op de pleeglocatie in orde was.
In zaken op grond van de Wahv biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van die verklaring of indien dergelijke feiten en omstandigheden uit het dossier blijken.
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de vaststelling van de gedraging.
De boete is dus terecht opgelegd.
Overschrijding redelijke termijn
Iedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.
In dit geval is de redelijke termijn overschreden.
Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.

Beslissing

De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 82,50, plus € 9,- administratiekosten;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 27,50, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.V. van Aardenne, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E.H. de Vries, en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: