Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene werd beboet voor het rechts inhalen op de Rijksweg te Breda op 21 februari 2023. Hij stelde beroep in tegen de boete, stellende dat hij de gedraging niet had verricht. De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, waarna betrokkene hoger beroep instelde bij de kantonrechter.
De kantonrechter oordeelde dat uit de verklaring van de verbalisant en het feit dat betrokkene staande is gehouden, voldoende blijkt dat de gedraging is verricht. De verschrijving in het aanvullend proces-verbaal met betrekking tot het type auto schaadt de belangen van betrokkene niet.
Wel is vastgesteld dat de redelijke termijn van berechting, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, is overschreden omdat de procedure langer dan twee jaar heeft geduurd. Daarom matigt de kantonrechter de boete met 25%. Het beroep wordt aldus gedeeltelijk gegrond verklaard en de officier van justitie wordt opgedragen het teveel betaalde bedrag terug te betalen.
Uitkomst: Het beroep wordt gedeeltelijk gegrond verklaard en de boete met 25% gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn.