ECLI:NL:RBZWB:2026:2475

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
BRE - 23 _ 11780
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10, zevende lid, Wet BPMArt. 2, letter c, Wet BPMArt. 27h, derde lid AWRArt. 28, zevende lid AWR
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag bpm wegens te hoge aanslag en toekenning immateriële schadevergoeding

Belanghebbende had een naheffingsaanslag bpm opgelegd gekregen van € 6.933, die hij betwistte. De inspecteur had de aanslag gebaseerd op een hertaxatie waarbij geen schade werd geconstateerd, terwijl belanghebbende een lagere waarde had opgegeven vanwege vermeende schade. De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, maar het bedrag te hoog is vastgesteld.

De rechtbank stelt vast dat de taxatiemethode alleen toegepast kan worden bij meer dan normale gebruiksschade, die niet aannemelijk is gemaakt. Ook is de koerslijst van Xray niet passend vanwege wezenlijke verschillen in aandrijving en vermogen tussen het referentievoertuig en de auto van belanghebbende. De rechtbank bepaalt de handelsinkoopwaarde op € 27.000 en berekent de verschuldigde bpm op € 9.558, waardoor de naheffingsaanslag wordt verminderd tot € 6.145.

Daarnaast kent de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 1.500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van behandeling. De vergoeding wordt verdeeld tussen de inspecteur en de Staat. Tevens worden proceskosten en griffierecht aan belanghebbende vergoed.

De uitspraak is gedaan door rechter S.J. Willems-Ruesink en griffier F.E.M. Houben op 1 april 2026 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: De naheffingsaanslag bpm wordt verminderd tot € 6.145 en belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding van € 1.500 toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11780

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 1 april 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, verbonden aan Bothof Services B.V.),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 21 november 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 6.933.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht, maar wel tot een te hoog bedrag aan belanghebbende opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 3.413 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een Ford Kuga 1.5 EcoBoost ST Line met VIN nummer [VIN nummer] (de auto). De auto heeft een tweewielaandrijving en een vermogen van 110 kW.
3.1.
Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd van [B.V.] van 31 maart 2022. Volgens het rapport bedraagt de historische nieuwprijs € 57.385, de historische bruto bpm € 22.738 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat € 21.382. De taxateur heeft een bedrag aan schade berekend van € 9.988. Belanghebbende heeft in verband hiermee een bedrag van € 7.191, ofwel 85%, in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde. Verder heeft belanghebbende nog een bedrag van € 2.138 als correctie schadeverleden / herstelde schade en een bedrag van € 2.138 in verband met de tweewielaandrijving in plaats van vierwielaandrijving extra in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde.
3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie van de auto laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De auto is door een medewerker van DRZ geïnspecteerd op schade en deze heeft geen schade geconstateerd. In het taxatierapport van DRZ is de historische nieuwprijs vastgesteld op € 57.635 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 31.528. Daarvoor is gebruik gemaakt van de koerslijst AutotelexPro.
3.3.
De inspecteur heeft op basis van de hertaxatie het standpunt ingenomen dat belanghebbende te weinig bpm heeft voldaan. De inspecteur heeft de verschuldigde bpm aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel berekend op € 10.346, omdat deze het meest gunstig is, en een naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd (zie 1.1).

Motivering

Herleidingsmethode
4. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [1] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Toepassing taxatiemethode?
4.1.
Belanghebbende stelt primair dat voor het bepalen van de verschuldigde bpm de taxatiemethode moet worden toegepast.
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat de toepassing van de taxatiemethode is beperkt tot een voertuig met meer dan normale gebruiksschade, niet zijnde een schadevoertuig als bedoeld in artikel 1, lid 1, letter u, van de Wegenverkeerswet 1994, en/of een motorrijtuig dat niet voorkomt op een koerslijst. [2] Het begrip normale gebruiksschade is omschreven als “slijtage en kleine beschadigingen die ontstaan door gebruik van een voertuig en die passen bij de leeftijd en kilometrage van het voertuig”. [3] Het gaat dus om fysiek aanwijsbare, waarneembare, schade. [4]
4.3.
De inspecteur betwist dat er ten tijde van het belastbaar feit sprake was van meer dan normale gebruikssporen. Daarbij wijst de inspecteur erop dat door DRZ geen schade is geconstateerd.
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank maakt belanghebbende – tegenover de betwisting door de inspecteur – aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank ziet op de foto’s bij de rapporten van belanghebbende en van DRZ niet de schade die daarop volgens belanghebbende aanwezig zou moeten zijn. Dat, zoals belanghebbende stelt, binnen de branche beleid is ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade en dat een of meer van de volgens dat beleid geldende schade zich voordoet bij de auto, kan niet tot een ander oordeel leiden. De inspecteur is niet gebonden aan beleid dat binnen de branche zou zijn ontwikkeld omdat het niet zijn beleid is.
4.5.
Bij deze stand van het geding stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de waarde van de auto moet worden ontleend aan de koerslijst van Xray die bij zijn taxatierapport is gevoegd, en dat met toepassing van de koerslijstmethode de afschrijving van de auto moet worden bepaald. De inspecteur meent dat slechts de forfaitaire afschrijvingstabel kan worden toegepast om de in aanmerking komende vermindering van de bruto bpm vast te stellen. Het referentievoertuig in de koerslijst betreft namelijk een Ford Kuga met vierwielaandrijving en een hoger vermogen en is daarmee volgens de inspecteur een ander type dan wel een andere uitvoering dan de auto.
4.6.
De rechtbank overweegt dat de mogelijkheid om de afschrijving van een te registreren motorrijtuig te berekenen met gebruikmaking van een koerslijst is beperkt tot een in een koerslijst voorkomend gebruikt motorrijtuig van hetzelfde merk, model, type, uitvoering en leeftijd. [5] Alleen onder die omstandigheden kan ervan worden uitgegaan dat de koerslijstwaarde een representatieve benadering oplevert van de werkelijke waarde van het te registreren motorrijtuig. Verschillen die aanleiding kunnen geven om een andere uitvoering aan te nemen, zijn in het bijzonder een ander soort aandrijving of andere brandstofsoort, een ander soort transmissie en een (meer dan marginaal) afwijkend vermogen. [6]
4.7.
Vasstaat dat de auto een ander soort aandrijving dan het referentievoertuig heeft, namelijk tweewielaandrijving in plaats van vierwielaandrijving, en dat het vermogen van de auto afwijkt ten opzichte van het referentievoertuig, namelijk 110 kW in plaats van 129 kW. Deze verschillen vindt de rechtbank wezenlijk en zij is daarom van oordeel dat referentieauto in de koerslijst bij het taxatierapport niet toereikend met de auto overeenkomt. Dat betekent dat de waarde van de auto niet kan worden ontleend aan de koerslijst van Xray die bij het taxatierapport van belanghebbende is gevoegd.
4.8.
De rechtbank begrijpt uit de stellingen van partijen dat het referentievoertuig dat de taxateur van belanghebbende en DRZ hebben gehanteerd, het meest overeenkomt met de auto. Er is geen koerslijst van een referentievoertuig met tweewielaandrijving en hetzelfde vermogen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het voertuig niet op een koerslijst voorkomt. Dat betekent dat toch een individuele waardebepaling kan plaatsvinden aan de hand van de taxatiemethode . De rechtbank volgt de stelling van de inspecteur niet dat in dat geval alleen de afschrijvingstabel zou kunnen worden toegepast.
Historische nieuwprijs
4.9.
Belanghebbende stelt dat in het DRZ-rapport de historische nieuwprijs te laag is vastgesteld en dat deze moet worden vastgesteld op € 64.229. De inspecteur heeft zich, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 [7] , daarbij aangesloten. De rechtbank ziet geen reden anders te beslissen.
Waardevermindering
4.10.
De rechtbank is van oordeel, onder verwijzing naar het hiervoor onder 4.4 overwogene, dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van meer dan normale gebruiksschade. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een waardevermindering wegens eens schadeverleden in aanmerking te nemen aangezien dit door belanghebbende verder niet is onderbouwd.
Handelsinkoopwaarde
4.11.
Bij de taxatiemethode wordt een individuele waardebepaling van de auto gemaakt. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de waarde in een koerslijst. In dat geval is de koerslijst slechts een uitgangspunt en zal de getaxeerde waarde afwijken vanwege andere bijzondere of afwijkende kenmerken en eigenschappen van de auto ten opzichte van het referentievoertuig. Het ligt op de weg van belanghebbende om de feiten en omstandigheden aan te voeren om het bewijs te leveren voor de door hem voorgestane waardedaling.
4.12.
De rechtbank acht niet aannemelijk dat de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat moet worden vastgesteld op de door belanghebbende voorgestane waarde. Daarbij weegt mee dat de waarde van de auto niet een op een kan worden ontleend aan de koerslijst van Xray bij het taxatierapport (zie 4.7) en in de koerslijst de opties samengevoegd zijn opgenomen en zijn overgenomen uit een andere koerslijst. Daarnaast weegt mee dat de koerslijst van AutotelexPro uitkomt op een waarde van € 31.528 en de aankoopprijs van de auto € 23.990 (excl. Bpm) bedraagt. Dat laatste vormt naar het oordeel van de rechtbank ook een goede indicatie van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat. Aan de andere kant neemt de rechtbank ook mee dat de afwijkingen van de auto ten opzichte van het referentievoertuig juist waardeverminderend zijn. Auto’s met een hoger vermogen en vierwielaandrijving zullen een hogere waarde hebben dan de auto van belanghebbende met een lager vermogen en tweewielaandrijving. De taxateur van belanghebbende heeft daar ook rekening mee gehouden en een aftrek van € 2.138 toegepast. De rechtbank bepaalt de handelsinkoopwaarde van de auto alle feiten en omstandigheden in aanmerking nemende daarom in goede justitie op € 27.000.
Tussenconclusie naheffingsaanslag
4.13.
Het voorgaande betekent dat de taxatiemethode tot een gunstiger resultaat leidt dan toepassing van de afschrijvingstabel. De naheffingsaanslag is wel terecht aan belanghebbende is opgelegd, maar tot een te hoog bedrag vastgesteld. Uitgaande van een historische nieuwprijs van € 64.299, een handelsinkoopwaarde van € 27.000 en een bruto Bpm van € 22.738 berekent de rechtbank de verschuldigde Bpm op € 9.558. Belanghebbende heeft een bedrag aan Bpm voldaan van € 3.413 zodat de naheffingsaanslag moet worden verminderd naar € 6.145.
Vergoeding van immateriële schade
5. Belanghebbende heeft in het beroepschrift van 13 december 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 29 november 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 1 april 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 17 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
5.2.
Omdat de bezwaarfase afgerond 12 maanden heeft geduurd en daarmee 6 maanden te lang, komt € 530 (6/17e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 970) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag wordt verminderd tot € 6.145. Belanghebbende heeft verder recht op een vergoeding van immateriële schade van € 1.500. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten.
6.1.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 6.145;
  • veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 530;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 970;
  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende;
  • bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 1 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [8]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
2.Artikel 10, zevende lid, van de Wet BPM.
3.Artikel 2, letter c, van de Wet BPM.
4.Zie ook
5.Hoge Raad van 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472
6.Vgl. Hoge Raad 22 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 4.2.3. en Gerechtshof Amsterdam 16 december 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3438.
7.Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703.
8.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.