Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2478

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
23/797 t/m 23/799
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67a AWRArt. 27h AWRArt. 28 AWRBesluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering verzuimboete vennootschapsbelasting wegens financiële omstandigheden en termijnoverschrijding

Belanghebbende heeft geen aangiften vennootschapsbelasting (Vpb) gedaan over de jaren 2019 tot en met 2021. De inspecteur legde ambtshalve nihilaanslagen op voor deze jaren en een verzuimboete van €2.757 voor 2021 wegens het niet tijdig doen van aangifte.

Belanghebbende stelde dat zij geen aangifte kon doen omdat eHerkenning vereist is en zij de kosten daarvan niet kon betalen. De rechtbank oordeelde dat de kosten van eHerkenning niet onevenredig zijn en dat belanghebbende, ondanks het ontbreken van activiteiten, jaarlijks aangifte moet doen zolang zij bestaat.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen de aanslagen ongegrond omdat belanghebbende geen verliezen had aangevoerd. Het opleggen van de verzuimboete was terecht, maar de rechtbank matigde deze vanwege de financiële situatie van belanghebbende en de overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar.

De boete werd verminderd tot €500 en vervolgens met 15% tot €425 vanwege de termijnoverschrijding van 18 maanden. De uitspraak op bezwaar werd vernietigd voor zover deze de boetebeschikking betrof. De beroepen tegen de aanslagen werden ongegrond verklaard.

Uitkomst: De verzuimboete vennootschapsbelasting 2021 wordt verminderd tot €425 wegens financiële omstandigheden en overschrijding van de redelijke termijn; de beroepen tegen de aanslagen 2019-2021 worden ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 23/797 tot en met 23/799
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 2 april 2026 in de zaken tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 19 januari 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende aanslagen in de vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd en de volgende verzuimboete:
Jaar
Belastbaar bedrag
Verzuimboete
2019
€ 0
2020
€ 0
2021
€ 0
€ 2.757
1.2.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Belanghebbende heeft een aanvullend stuk ingediend. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan de inspecteur.
1.5.
De rechtbank heeft de beroepen op 13 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de inspecteur, mr. drs. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Namens belanghebbende is niemand ter zitting verschenen. Namens belanghebbende is om uitstel van de zitting verzocht, welk verzoek is afgewezen. Hieruit volgt dat belanghebbende tijdig en op de juiste wijze is uitgenodigd voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen en de boete terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.
2.1.
De rechtbank zal het beroep betreffende de verzuimboete gegrond verklaren, de verzuimboete verminderen en de beroepen voor het overige ongegrond verklaren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.

Feiten

3. Belanghebbende heeft geen aangiften Vpb gedaan over de jaren 2019 tot en met 2021.
3.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende ambtshalve nihilaanslagen Vpb opgelegd over de jaren 2019 tot en met 2021. Bij het opleggen van de aanslag Vpb over het jaar 2021 heeft de inspecteur een verzuimboete van € 2.757 opgelegd vanwege het niet (tijdig) doen van aangifte.

Overwegingen

4. Belanghebbende stelt dat zij over de onderhavige jaren geen aangiften Vpb heeft kunnen doen omdat dit alleen mogelijk is met eHerkenning en zij het hiervoor verschuldigde bedrag niet kan betalen.
4.1.
De rechtbank overweegt dat de kosten van eHerkenning niet van een zodanige omvang zijn dat zij onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die de Staatssecretaris van Financiën met de invoering van eHerkenning heeft nagestreefd. [1] Zolang belanghebbende – die geen activiteiten meer lijkt te ontplooien – nog bestaat, moet zij jaarlijks, door gebruik van eHerkenning, aangifte Vpb doen.
4.2.
De rechtbank merkt op dat belanghebbende niets heeft aangevoerd over in de onderhavige jaren door haar geleden verliezen. Voor zover de beroepen zijn gericht tegen de (nihil)aanslagen, zullen deze dan ook ongegrond worden verklaard.
4.3.
Belanghebbende bestrijdt niet dat zij over de onderhavige jaren niet (tijdig) aangiften Vpb heeft gedaan. Het opleggen van een verzuimboete over het jaar 2021 is dan ook, gelet op artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in samenhang met paragraaf 21 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst, terecht en tot het juiste bedrag gebeurd.
4.4.
De rechtbank zal de verzuimboete wel verminderen in verband met de financiële omstandigheden waarin belanghebbende verkeert, welke omstandigheden uitvoerig in de stukken zijn beschreven. De rechtbank zal de boete tevens verminderen in verband met undue delay.
4.5.
De rechtbank zal de boete, gelet op wat is overwogen in 4.4, verminderen tot € 500. De rechtbank acht dit bedrag passend en geboden.
4.6
De rechtbank stelt vast dat 22 oktober 2022 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn, omdat op die datum de boete is opgelegd. De rechtbank doet uitspraak op 2 april 2026. Sinds de aankondiging van de boete zijn dan ruim 42 maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar daarmee is overschreden met 18 maanden. De boete moet daarom worden gematigd met 15% tot € 425. [2]

Conclusie en gevolgen

Het beroep betreffende de verzuimboete is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking. Belanghebbende heeft geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. Ook is belanghebbende vrijgesteld van griffierecht, daarom komen ook die kosten niet voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond voor zover het is gericht tegen de boetebeschikking;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking;
- vermindert de boete tot € 425;
- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 2 april 2026 door mr.drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [3]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Vgl. Hoge Raad 2 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1787.
2.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2713.
3.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid, van de AWR.