ECLI:NL:RBZWB:2026:249

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
BRE 24/6998 WIA
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet WIAArt. 5 Wet WIAArt. 64 lid 11 Wet WIAArt. 6:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ingangsdatum WIA-uitkering na bezwaar en beroep

Eiser heeft een WIA-uitkering aangevraagd met terugwerkende kracht vanaf 9 februari 2015, nadat eerdere aanvragen en bezwaren waren afgewezen. Na een eerdere vernietiging van een bezwaarbesluit door de rechtbank, heeft het UWV een uitkering toegekend met ingang van 9 februari 2015, maar later herzien tot 14 januari 2020 als ingangsdatum.

De rechtbank beoordeelt dat het UWV terecht de ingangsdatum van de uitkering heeft vastgesteld op 14 januari 2020, omdat volgens artikel 64, lid 11, van de Wet WIA de uitkering niet eerder dan 52 weken voor de aanvraagdatum kan worden toegekend, tenzij sprake is van een bijzonder geval. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er een bijzonder geval is dat een eerdere ingangsdatum rechtvaardigt.

De rechtbank verklaart het beroep tegen de besluiten van 30 augustus 2024 en 2 oktober 2024 niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit van 3 juni 2025 ongegrond. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt dat de WIA-uitkering van eiser per 14 januari 2020 ingaat en verklaart het beroep tegen eerdere besluiten niet-ontvankelijk en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/6998 WIA

uitspraak van 21 januari 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. C.F.A. Cadot,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV; kantoor Breda), verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de toekenning van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
1.1.
Het UWV heeft met het besluit van 16 juli 2021 (primair besluit) geweigerd per
9 februari 2015 aan eiser een WIA-uitkering toe te kennen. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Met het besluit van 17 juni 2022 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Het hiertegen door eiser ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank van 31 oktober 2023 [1] gegrond verklaard en het besluit van 17 juni 2022 is daarbij vernietigd.
Met het besluit van 30 augustus 2024 heeft het UWV aan eiser een WIA-uitkering toegekend met ingang van 9 februari 2015 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 51,13%. Het UWV heeft dit besluit herzien met het besluit van 2 oktober 2024 en daarin overwogen dat eisers WIA-uitkering vanaf 14 januari 2020 tot uitbetaling komt. Het UWV heeft het besluit van 2 oktober 2024 herzien met het bestreden besluit van 3 juni 2025 en daarin overwogen dat eisers WIA-uitkering per 14 januari 2020 wordt gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80% tot 100%.
De rechtbank heeft het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 30 augustus 2024 met toepassing van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht geacht tegen de beslissing op bezwaar van 2 oktober 2024 en 3 juni 2025.
1.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met verweerschriften.
1.3.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek op 14 januari 2026 gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Artikel 8:57 van Pro de Awb maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiser is werkzaam geweest als jongerenwerker bij de stichting [werkgever 1] . Hij heeft zich op 7 december 2009 ziek gemeld vanwege hoofdpijn- en psychische klachten. Na een herstelmelding op 15 februari 2010 heeft eiser zich per deze datum ook weer ziek gemeld wegens toegenomen visusklachten. Na een herstelmelding op 10 januari 2011 is eiser in het kader van een re-integratietraject gaan werken als algemeen medewerker bij [werkgever 2] . Eiser heeft zich op 14 november 2012 ziek gemeld vanwege visusklachten, pijnklachten aan zijn rechterhand en psychische klachten.
2.1.
Op 9 juni 2014 heeft eiser een uitkering ingevolge de WIA aangevraagd. Bij deze aanvraag heeft eiser vermeld dat hij vanaf december 2009 arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 13 oktober 2014 heeft het UWV geweigerd eiser met ingang van 30 augustus 2014 een WIA-uitkering toe te kennen. Bij besluit van 19 maart 2015 heeft het UWV het bezwaar tegen het besluit van 13 oktober 2014 ongegrond verklaard. Vervolgens heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 maart 2015 ongegrond verklaard bij uitspraak van 2 februari 2016 [2] .
Omdat eiser vanaf 5 december 2011 aanspraak heeft gemaakt op een WIA-uitkering, heeft het UWV na een nieuwe medische en arbeidskundige beoordeling bij besluit van
17 december 2018 geweigerd eiser met ingang van 5 december 2011 een WIA-uitkering toe te kennen omdat hij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar daartegen heeft het UWV bij besluit van 18 juli 2019 ongegrond verklaard.
Het tegen de uitspraak van de rechtbank van 2 februari 2016 door eiser ingestelde hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft geleid tot een uitspraak van
9 december 2020 waarbij het beroep tegen het besluit van 19 maart 2015 gegrond werd verklaard, dat besluit werd vernietigd en het beroep tegen het besluit van 18 juli 2019 ongegrond is verklaard. [3]
Daarmee staat in rechte vast dat eiser per 5 december 2011 geschikt is voor de maatgevende arbeid van jongerenwerker en dat hij (op basis van een theoretische schatting) minder dan 35% arbeidsongeschikt is in het kader van de WIA per die datum.
2.2.
Onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 9 december 2020 en de vernietiging van het besluit van 19 maart 2015, heeft eiser op 14 januari 2021 een WIA-uitkering aangevraagd met terugwerkende kracht vanaf 9 februari 2015.
Het UWV heeft met het besluit van 16 juli 2021 geweigerd eiser een WIA-uitkering toe te kennen met ingang van 9 februari 2015, omdat er per die datum geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor eiser eerder een WIA-uitkering is geweigerd. Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar is met het besluit van 17 juni 2022 ongegrond verklaard.
Het hiertegen door eiser ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank van
31 oktober 2023 gegrond verklaard en het besluit van 17 juni 2022 is daarbij vernietigd. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest, dat de verzekeringsarts (b&b) de belastbaarheid van eiser niet juist heeft vastgesteld en dat dus het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd.
3. Het UWV heeft berust in deze uitspraak en vervolgens na een nieuw medisch- en arbeidsdeskundig onderzoek het voornemen geuit om aan eiser een WIA-uitkering toe te kennen met ingang van 9 februari 2015 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 51,13%. Na ontvangst van eisers zienswijze heeft het UWV het besluit van 30 augustus 2024 en vervolgens de herziene besluiten van 2 oktober 2024 en 3 juni 2025 genomen.
De besluiten van 30 augustus 2024 en 2 oktober 2024
4. Omdat het besluit van 30 augustus 2024 is gewijzigd met het besluit 2 oktober 2024 en dit besluit is gewijzigd met het besluit van 3 juni 2025, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank geen belang meer bij de beoordeling van de besluiten van 30 augustus 2024 en 2 oktober 2024. De rechtbank verklaart het beroep tegen die besluiten daarom niet-ontvankelijk.
De rechtbank zal daarom alleen het herziene bestreden besluit van 3 juni 2025 beoordelen.
Het besluit van 3 juni 2025
5. Aan het herziene bestreden besluit van 3 juni 2025 heeft het UWV ten grondslag gelegd dat eiser per 14 januari 2020 volledig arbeidsongeschikt is, maar dat dit niet duurzaam is. Eiser heeft hiertegen geen gronden aangevoerd. De beroepsgronden van eiser zijn gericht tegen de ingangsdatum van de WIA-uitkering. De rechtbank zal beoordelen of het UWV de correcte ingangsdatum heeft gehanteerd.
5.1.
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Is de ingangsdatum juist vastgesteld?
6. Het UWV heeft overwogen dat uit hetgeen bepaald is in artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA vrij vertaald volgt dat de uitkering niet eerder dan 52 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag werd ingediend kan worden uitbetaald. Het UWV heeft eisers aanvraag voor een WIA-uitkering ontvangen op 14 januari 2021. Dit betekent dat eisers WIA-uitkering vanaf 14 januari 2020 tot uitbetaling komt.
Het UWV heeft verder overwogen dat in bijzondere gevallen van deze 52 weken termijn kan worden afgeweken. Daartoe ziet de UWV echter geen aanleiding. De gedingstukken bieden geen aanknopingspunten voor het oordeel dat eiser om medische redenen niet eerder dan op 14 januari 2021 in staat is geweest om een aanvraag in te dienen. Hieromtrent zijn geen nadere gronden of (medische) onderbouwing overgelegd. Ook in de (mogelijke) onoverzichtelijkheid van de procedure is geen bijzonder geval gelegen. Eiser heeft contacten met het UWV onderhouden en, met behulp van een advocaat een (hoger) beroepsprocedure gevolgd, redenen op grond waarvan het UWV niet kan inzien dat eiser niet in staat was om eerder een WIA-aanvraag in te dienen.
6.1.
Eiser heeft gesteld dat wel sprake is van een bijzonder geval waarin aanleiding moet worden gezien om af te wijken van artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA.
Indien het UWV vanaf het moment dat zij bekend is geworden met de overgelegde medische informatie van eisers oogarts van 30 juli 2015 in het kader van de destijds lopende procedure bij de rechtbank, deze informatie juist had geïnterpreteerd, had zij reeds in 2015 – ambtshalve – tot het oordeel kunnen komen dat eiser per 9 februari 2015 aanspraak had kunnen maken op een WIA-uitkering. De nadelige gevolgen van deze handelswijze aan de zijde van het UWV dienen niet op eiser afgewenteld te worden, althans behoren niet voor zijn rekening en risico te komen.
Doordat eiser later na consultatie van de oogarts op 18 oktober 2019 de bevestiging heeft gekregen dat zijn visus inderdaad slechter was geworden, heeft dit hem de mogelijkheid geboden een beroep te doen op toegenomen arbeidsongeschiktheid. In verband met zijn persoonlijke situatie is eiser daaraan pas in 2021 toegekomen. In het kader van de beroepsprocedure stelt het UWV uiteindelijk wel juist vast dat eiser reeds per 9 februari 2015 aanspraak kon maken op een WIA-uitkering.
6.2.
In deze beroepsgronden ziet het UWV geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Op het moment van het overleggen van medische informatie van 30 juli 2015 was er geen lopende uitkeringsrelatie met eiser. Zonder een lopende uitkeringsrelatie kan een beoordeling ambtshalve niet aan de orde zijn. Het UWV verwijst verder naar de onder 2.1. genoemde uitspraak van de CRvB waarbij de weigering van de WIA-uitkering in stand is gebleven.
Ook na het bekend worden van de informatie van 18 oktober 2019, heeft het echter nog geduurd tot 14 januari 2021 alvorens eiser een nieuwe aanvraag heeft ingediend. Eiser heeft met betrekking tot zijn persoonlijke situatie geen nadere gronden of (medische) onderbouwing overgelegd. Niet gesteld of gebleken is dat eiser – mede als gevolg van zijn persoonlijke dan wel medische (psychische) situatie – het inzicht in de ernst, de aard en de duurzaamheid van zijn medische problematiek heeft ontbroken en om die reden heeft nagelaten eerder een aanvraag in te dienen. Eiser is verder gedurende de gerechtelijke procedures steeds bijgestaan door een gemachtigde. Voor zover deze inzichten niet al bij eiser bestonden, had van deze gemachtigde verwacht mogen worden dat zij in het kader van de belangenbehartiging van eiser eerder een aanvraag zou hebben kunnen entameren. Het UWV kan niet inzien dat eiser niet in staat was om (met behulp van zijn gemachtigde) eerder een WIA-aanvraag in te dienen.
6.3.
In artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA is bepaald dat het recht op een uitkering op grond van deze wet niet kan worden vastgesteld over perioden gelegen voor 52 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Het UWV kan voor bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken.
6.4.
Volgens vaste rechtspraak van de CRvB moet het begrip ‘bijzonder geval’ naar zijn aard restrictief worden uitgelegd. Van een bijzonder geval is slechts sprake indien betrokkene ter zake van de late aanvraag of het niet aanvragen redelijkerwijs geacht moet worden niet in verzuim te zijn geweest. Dat zal onder meer het geval zijn indien de verzekerde – mede als gevolg van zijn medische situatie – het aan inzicht in de ernst, de aard en de duurzaamheid van met name zijn psychische problematiek heeft ontbroken en hij om die reden heeft nagelaten (eerder) een aanvraag in te dienen. Op de betrokken verzekerde rust de bewijslast van de aanwezigheid van een bijzonder geval. [4]
6.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan eisers recht op een WIA-uitkering kan worden vastgesteld over perioden gelegen 52 weken voorafgaand aan zijn aanvraag. Eiser heeft namelijk niet toegelicht en onderbouwd waarom hij vanwege zijn persoonlijke (medische) situatie niet in staat was eerder een WIA-aanvraag in te dienen. Het UWV heeft er daarnaast terecht op gewezen dat eiser in de periode van 2015 tot en met 2020 met behulp van zijn gemachtigde (hoger) beroepsprocedures heeft gevoerd over een eerdere WIA-aanvraag. Verder bestond er voor het UWV op grond van de Wet WIA geen verplichting om tijdens de eerder beroepsprocedure ambtshalve een WIA-uitkering toe te kennen per 9 februari 2015.
Het daarvan achterwege blijven levert dan ook evenmin een bijzonder geval op.
Dit betekent dat het UWV terecht aan eiser een WIA-uitkering per 14 januari 2020 heeft verstrekt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep tegen de besluiten van 30 augustus 2024 en 2 oktober 2024 is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het besluit van 3 juni 2025 is ongegrond.
7.1.
De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat het UWV het griffierecht aan eiser dient te vergoeden, nu het besluit van 30 augustus 2024 is herzien. De rechtbank zal het UWV ook veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen de besluiten van 30 augustus 2024 en 2 oktober 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 3 juni 2025 ongegrond;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 21 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage wettelijk kader

In artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Volgens artikel 5 van Pro de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.
In artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA is bepaald dat het recht op een uitkering op grond van deze wet niet kan worden vastgesteld over perioden gelegen voor 52 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Het UWV kan voor bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken.

Voetnoten

1.ECLI:NL:RBZWB:2023:7709, zaaknummer BRE 22/3701 WIA.
2.ECLI:NL:RBZWB:2016:672, zaaknummer: BRE 15/2610 WIA.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 17 september 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BN7819) en 28 juni 2023 (ECLI:NL:CRVB:2023:1216).