ECLI:NL:RBZWB:2026:2506

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
11536469 \ MB VERZ 25-221
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 13a Wahv
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijk gegrond beroep tegen verkeersboete wegens overschrijding snelheid en schending hoorplicht

Betrokkene kreeg een verkeersboete opgelegd voor het rijden van 15 km per uur te hard binnen de bebouwde kom op 26 juli 2023. Betrokkene en zijn gemachtigde betwistten de gedraging, de bevoegdheid van de verbalisant en de bewijsmiddelen. De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter.

De kantonrechter oordeelde dat de gedraging vaststaat en de boete terecht is opgelegd. Wel werd vastgesteld dat de hoorplicht door de officier van justitie was geschonden, omdat betrokkene en zijn gemachtigde niet zijn gehoord, wat volgens vaste rechtspraak leidt tot vernietiging van de beslissing op het administratief beroep. Daarnaast was de redelijke termijn van twee jaar overschreden, wat eveneens aanleiding gaf tot matiging van de boete.

De boete werd daarom met 50% verminderd (25% vanwege schending hoorplicht en 25% vanwege termijnoverschrijding). Tevens werd het teveel betaalde bedrag aan zekerheidstelling terugbetaald en werd een proceskostenvergoeding van €116,75 toegekend voor de fase bij de kantonrechter. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het beroep is gedeeltelijk gegrond verklaard, de boete is met 50% gematigd en proceskosten zijn toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer : 11536469 \ MB VERZ 25-221
CJIB-nummer : [cjib-nummer]
uitspraakdatum : 10 februari 2026
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam :
[betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. N.G.A. Voorbach (Verkeersboete.nl)

Verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 10 februari 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. S.E.F. Heling (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde en betrokkene zijn niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

Standpunten

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: 15 km per uur harder rijden dan mag binnen de bebouwde kom op de Sasdijk te Werkendam op 26 juli 2023 om 13.43 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging niet is verricht. Betrokkene ontkent de gedraging, de bevoegdheid van de verbalisant en de wettigheid van gebruikte bewijsmiddelen. Gemachtigde voert aan dat de hoorplicht is geschonden en verzoekt om proceskostenvergoeding.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep deels gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Op basis van het zaakoverzicht kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
De zittingsvertegenwoordiger verzoekt wel de boete te matigen met 25% omdat de hoorplicht is geschonden en de boete verder te matigen met 25% omdat de redelijke termijn is overschreden. De zittingsvertegenwoordiger verzoekt het beroep voor het overige ongegrond te verklaren.

Overwegingen

InhoudelijkDe kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. De kantonrechter ziet in de enkele ontkenning van gemachtigde geen aanleiding om te twijfelen aan de vaststelling van de gedraging door de verbalisant.
De boete is dus terecht opgelegd.
Schending hoorplicht
Betrokkene heeft, via een gemachtigde, beroep aangetekend bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft de gemachtigde en betrokkene niet in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Dit is een schending van de hoorplicht, die volgens vaste rechtspraak moet leiden tot vernietiging van de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep. Het beroep tegen die beslissing is om die reden gegrond.
De kantonrechter ziet hierin ook reden om de boete te matigen met 25%, omdat sprake is van een structurele schending van de hoorplicht in zaken waarin een betrokkene zich laat bijstaan door een professioneel gemachtigde, die ook na 1 oktober 2023 is blijven voortduren in een groot aantal (oude) zaken (zie het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2025:2852).
Overschrijding redelijke termijn
Iedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.
In dit geval is de redelijke termijn overschreden.
Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete verder matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369).
Het beroep tegen de inleidende beschikking is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Proceskosten
Omdat de boete wordt gematigd is er aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarbij gaat het alleen om de kosten in de fase waarin de redelijke termijn is overschreden, dus de kosten van het beroep bij de kantonrechter.
De beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep is van na 31 december 2023. Daarom is de vermenigvuldigingsfactor 0,25 van artikel 13a, lid 2, Wahv van toepassing (ECLI:NL:HR:2025:985).
De proceskostenvergoeding is als volgt berekend:
beroepschrift 1 punt x gewicht 0,5 x € 934,- x 0,25 = € 116,75.

Beslissing

De kantonrechter:
  • verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep gegrond en vernietigt die beslissing;
  • verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond en wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de boete wordt gewijzigd in
€ 86,63, plus € 9,- administratiekosten;
  • draagt de officier van justitie op het bedrag van € 67,37, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
  • veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 116,75.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E.H. de Vries, en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: