De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 3 april 2026 de ontnemingszaak tegen betrokkene, die eerder veroordeeld was voor medeplegen van invoer van cocaïne. De officier van justitie vorderde ontneming van € 93.035,-, gebaseerd op chatberichten en een politierapport over het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De verdediging voerde aan dat betrokkene niet de gebruiker was van het PGP-account en dat het contante geld afkomstig was van gokwinsten, en stelde dat de redelijke termijn was overschreden. De rechtbank oordeelde dat de schuldvraag niet opnieuw kan worden heropend in de ontnemingsprocedure en baseerde zich op het vonnis in de hoofdzaak en het politierapport.
De rechtbank stelde vast dat betrokkene € 93.035,- had verdiend aan de invoer van 90 kilogram cocaïne via twee schepen. Gezien de overschrijding van de redelijke termijn met ongeveer twaalf maanden matigde de rechtbank het bedrag met € 5.000,-, waardoor de ontnemingsverplichting op € 88.035,- werd vastgesteld.
De rechtbank legde tevens een gijzelingstermijn van 880 dagen op voor het geval betrokkene niet aan de betalingsverplichting voldoet. De overige vorderingen van de officier van justitie werden afgewezen.