Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een verkeersboete opgelegd voor het niet wegrijden bij een groen verkeerslicht op 11 december 2023 te Breda. Betrokkene erkende de gedraging, maar voerde aan dat het voertuig niet in de juiste versnelling kwam, waardoor hij niet kon wegrijden. De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter.
De kantonrechter oordeelde dat de gedraging vaststaat en de boete terecht is opgelegd. Echter, vanwege het ontbreken van opzet en het feit dat betrokkene het voertuig niet onder controle had, achtte de rechtbank matiging van de boete op zijn plaats. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn van berechting was overschreden, wat eveneens een reden was voor matiging.
De boete werd gematigd tot € 60,- plus administratiekosten van € 9,-. Daarnaast werd de officier van justitie opgedragen het teveel betaalde bedrag van € 100,- terug te betalen aan betrokkene. De proceskosten van € 233,50 werden eveneens aan betrokkene toegekend. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: De boete is gematigd tot € 60,- en proceskostenvergoeding van € 233,50 toegekend wegens overschrijding redelijke termijn en ontbreken opzet.