ECLI:NL:RBZWB:2026:2520

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
11564418 \ MB VERZ 25-336
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 13a lid 2 Wahv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke gegrondverklaring beroep tegen verkeersboete wegens niet wegrijden bij groen licht

Betrokkene kreeg een verkeersboete opgelegd voor het niet wegrijden bij een groen verkeerslicht op 11 december 2023 te Breda. Betrokkene erkende de gedraging, maar voerde aan dat het voertuig niet in de juiste versnelling kwam, waardoor hij niet kon wegrijden. De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter.

De kantonrechter oordeelde dat de gedraging vaststaat en de boete terecht is opgelegd. Echter, vanwege het ontbreken van opzet en het feit dat betrokkene het voertuig niet onder controle had, achtte de rechtbank matiging van de boete op zijn plaats. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn van berechting was overschreden, wat eveneens een reden was voor matiging.

De boete werd gematigd tot € 60,- plus administratiekosten van € 9,-. Daarnaast werd de officier van justitie opgedragen het teveel betaalde bedrag van € 100,- terug te betalen aan betrokkene. De proceskosten van € 233,50 werden eveneens aan betrokkene toegekend. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De boete is gematigd tot € 60,- en proceskostenvergoeding van € 233,50 toegekend wegens overschrijding redelijke termijn en ontbreken opzet.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer : 11564418 \ MB VERZ 25-336
CJIB-nummer : [cjib-nummer]
uitspraakdatum : 10 februari 2026
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam :
[betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. M. Lagas (Appjection B.V.)

Verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 10 februari 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. S.E.F. Heling (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Namens gemachtigde is verschenen [persoon] . De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

Standpunten

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: niet rijden bij een driekleurig verkeerslicht dat op groen staat op de Academiestingel te Breda op 11 december 2023 om 21.09 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete niet redelijk is gelet op de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden. Betrokkene wilde wegrijden toen het verkeerslicht groen werd, maar kreeg de auto niet in de juiste versnelling.
Gemachtigde verzoekt om proceskostenvergoeding.
Ter zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd dat niet duidelijk is hoe betrokkene in deze situatie anders had kunnen handelen. Gemachtigde heeft de grond inzake schending van afspraken over het horen ingetrokken.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep deels gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Voor de verkeersdoorstroming is het van belang dat men doorrijdt bij een verkeerslicht dat op groen staat. De omstandigheid dat betrokkene het voertuig niet onder controle had, komt voor eigen rekening van betrokkene.
De zittingsvertegenwoordiger verzoekt wel de boete te matigen met 25% omdat de redelijke termijn is overschreden, maar het beroep voor het overige ongegrond te verklaren.
OverwegingenInhoudelijk
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. Betrokkene betwist de gedraging ook niet. De boete is op zich dus terecht opgelegd.
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd wel aanleiding om de boete te matigen, omdat er geen sprake was van opzet, maar betrokkene het voertuig niet onder controle had.
Overschrijding redelijke termijnIedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.
In dit geval is de redelijke termijn overschreden.
Vanwege die overschrijding, in combinatie met de genoemde inhoudelijke omstandigheid, zal de kantonrechter de boete matigen tot € 60,-. Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Proceskosten
Vanwege de matiging van de boete komen de proceskosten van het beroep bij de kantonrechter voor vergoeding in aanmerking.
De beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep is van na 31 december 2023. Daarom is de vermenigvuldigingsfactor 0,25 van artikel 13a, lid 2, Wahv van toepassing (ECLI:NL:HR:2025:985). De proceskostenvergoeding is als volgt berekend:
beroepschrift 1 punt + zitting 1 punt = 2 punten x gewicht 0,5 x € 934,- x 0,25 = € 233,50.

Beslissing

De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 60,-, plus € 9,- administratiekosten;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 100,-, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E.H. de Vries, en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: