Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2567

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
BRE 26/798
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:12 AwbArt. 4.4 WooArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens te vroege ingebrekestelling bij Woo-verzoek

Eiser diende op 27 november 2025 een verzoek in op grond van de Wet open overheid (Woo) bij het Dagelijks Bestuur van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant. Verweerder had volgens de wet een beslistermijn van vier weken, tot 29 december 2025. Op 5 december 2025 sloten partijen een mediationovereenkomst, waardoor de beslistermijn werd opgeschort tot het einde van de mediation op 18 december 2025. Vervolgens verlengde verweerder de beslistermijn met twee weken tot 26 januari 2026.

Eiser stelde verweerder op 10 januari 2026 in gebreke, maar dit was vóór het verstrijken van de beslistermijn. Volgens artikel 6:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een ingebrekestelling te vroeg en daarmee het beroep niet-ontvankelijk. De rechtbank kon het beroep daarom niet inhoudelijk beoordelen en wees het af zonder proceskostenveroordeling.

De uitspraak werd gedaan door rechter A.G.J.M. de Weert op 3 april 2026 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Partijen kunnen binnen zes weken verzetschrift indienen als zij het niet eens zijn met deze beslissing.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te vroege ingebrekestelling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/798

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2026 in de zaak tussen

mr. [eiser] , uit [plaats] , eiser

en
het Dagelijks Bestuur van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op het verzoek van 27 november 2025 om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid (Woo) met betrekking tot het handhavingsdossier inzake [B.V.] alsook [persoon] .
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep ontvankelijk?
3. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Hierna zal de rechtbank uitleggen hoe zij tot dit oordeel komt.
3.1.
Eiser heeft het verzoek ingediend op 27 november 2025. Verweerder heeft op grond van artikel 4.4 van de Woo een beslistermijn van vier weken. Dat betekent dat de wettelijke beslistermijn liep tot 29 december 2025. Op 5 december 2025 hebben eiser en verweerder een mediationovereenkomst getekend waarop de MfN-mediationreglement (hierna: het Reglement) van toepassing is. De toepassing van het Reglement op de mediation is tevens vermeld in de getekende overeenkomst. Artikel 9 van Pro het Reglement stelt dat bij de aanvang van de mediation al aanhangige gerechtelijke, of aanverwante procedures over de kwestie of onderdelen daarvan -met uitzondering van maatregelen ter bewaring van rechten- door de partijen worden opgeschort voor de duur van de mediation. Dit betekent dat de behandeling van het verzoek van eiser vanaf 5 december 2025 is opgeschort tot het eind van de mediation. Het mediationtraject is op 18 december 2025 zonder resultaat beëindigd. Dit blijkt uit de e-mail van 18 december 2025 die verweerder heeft overgelegd. De opschorting gaat dus om een periode van veertien dagen. Daarbij heeft verweerder de beslistermijn met twee weken verlengd per brief van 22 december 2025 op grond van artikel 4.4, tweede lid, van de Woo. Gelet hierop had verweerder tot 26 januari 2026 om te beslissen op het verzoek van eiser.
3.2.
Als de betrokkene de ingebrekestelling te vroeg stuurt, is het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk kan beoordelen. In dit geval eindigde de beslistermijn op 26 januari 2026. Eiser heeft verweerder op 10 januari 2026 in gebreke gesteld. Op dat moment was de beslistermijn nog niet verstreken. Hiermee is niet voldaan aan de vereisten uit artikel 6:12 van Pro de Awb.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet kan beoordelen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van
I. Ambachtsheer, griffier, op 3 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.