Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2569

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
BRE 26/1079
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.5 WooArt. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Minister moet binnen zes weken beslissen op Woo-verzoek over geneesmiddel Carvykti

Eiseres heeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig beslissen op haar Woo-verzoek van 13 november 2025 over informatie over het geneesmiddel Carvykti.

De minister erkent de overschrijding en wijt dit aan werkdruk, reorganisatie, personeelstekort en het vertrek van de behandelend jurist. De rechtbank oordeelt dat de minister alsnog binnen een redelijke termijn moet beslissen en legt een termijn van zes weken op, waarbij een dwangsom van €100 per dag geldt met een maximum van €15.000.

Daarnaast moet de minister het griffierecht en proceskosten van eiseres vergoeden. De uitspraak is gedaan zonder zitting omdat het beroep kennelijk gegrond is. Partijen kunnen binnen zes weken verzet instellen tegen deze uitspraak.

Uitkomst: De minister moet binnen zes weken beslissen op het Woo-verzoek en betaalt een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1079

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.M. Janssen),
en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat de minister volgens haar niet op tijd heeft beslist op het verzoek van 13 november 2025 om verstrekking van informatie op grond van artikel 5.5 van de Wet open overheid (Woo) inzake het geneesmiddel Carvykti (werkzaam bestanddeel: ciltacabtagene autoleucel of afgekort “cilta-cel”).
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Het beroep is kennelijk gegrond. Niet in geschil is dat er sprake is van een overschrijding van de beslistermijn. Eiseres heeft de minister op 29 december 2025 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan.
Welke beslistermijn wordt aan de minister opgelegd?
4. De minister geeft in het verweerschrift van 16 maart 2026 aan dat de beslistermijn is overschreden door onder meer de werkdruk op het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Daarbij heeft de directie die het verzoek van eiser behandelt, te maken gehad met een omvangrijke reorganisatie, personeelstekort en een groot verloop van (juridisch) medewerkers. Hierbij merkt verweerder op dat een versnelling niet eenvoudig op korte termijn kan worden bereikt door het aannemen van meer juristen. Verder geeft verweerder aan dat de afhandeling van Woo-zaken vertraging oploopt door een zeer groot aantal beroepen (wegens niet tijdig beslissen) en uitvoering van rechterlijke uitspraken. Hiernaast heeft het zoeken en klaarzetten van het grote aantal documenten afstemming vereist tussen de behandelend jurist, informatiespecialisten en de betrokken beleidsdirecties. Dit heeft in samenhang met het vertrek van de behandelend jurist tot de vertraging geleid van het behandelen van het verzoek.
4.1.
Omdat de minister nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de minister dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de minister dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2.
Eiser verzoekt de rechtbank om een termijn van vier weken op te leggen. De minister verzoekt de rechtbank om een termijn van acht weken op te leggen. De minister heeft uitgelegd dat hij deze tijd nodig heeft voor het beoordelen van de documenten en de mogelijke zienswijze voor enige derde-belanghebbenden. Ook heeft de minister de tijd die het kost om een besluit op te stellen en te verzenden meegewogen.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op de aanvraag te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming. Dit is tevens gelet op de omstandigheden die tot vertraging hebben geleid bij de behandeling van het verzoek. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat de minister zes weken de tijd krijgt om alsnog te beslissen op de aanvraag.
Welke dwangsom wordt aan de minister opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door de minister. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, de minister de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de minister de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat de minister het griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van
I. Ambachtsheer, griffier, op 3 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.