Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2572

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
BRE 26/817
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen op bezwaar persoonsgebonden budget Wmo

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen omdat het college niet tijdig heeft beslist op zijn bezwaar tegen het besluit van 6 maart 2025, waarin een persoonsgebonden budget op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) werd toegekend.

De rechtbank stelt vast dat het college de beslistermijn heeft overschreden ondanks ingebrekestellingen van eiser op 25 augustus 2025 en een tweede herinnering op 8 september 2025. Het beroep is daarom kennelijk gegrond. Het college heeft aangegeven dat de vertraging is veroorzaakt door een groot aantal lopende zaken en verwacht uiterlijk 1 juni 2026 een besluit te nemen.

De rechtbank bepaalt dat het college binnen twee weken na de uitspraak een besluit moet nemen, maar acht in dit geval een langere termijn tot 1 juni 2026 redelijk vanwege het belang van zorgvuldige besluitvorming. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat het college de termijn overschrijdt. Het college moet ook het griffierecht van €54 aan eiser vergoeden.

Uitkomst: Het college moet uiterlijk 1 juni 2026 een besluit nemen en betaalt een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/817

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen, het college.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het college volgens hem niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van tegen het besluit van 6 maart 2025 waarin aan eiser persoonsgebonden budget op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) wordt toegekend voor twee uur persoonlijke begeleiding per week.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Het beroep is kennelijk gegrond. Niet in geschil is dat er sprake is van een overschrijding van de beslistermijn. Eiser heeft het college op 25 augustus 2025 in gebreke gesteld. Het college heeft de ingebrekestelling op 27 augustus 2025 ontvangen. Op
8 september 2025 heeft eiser het college een tweede herinnering verstuurd. Deze is op
10 september 2025 ontvangen door het college. Sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan.
Welke beslistermijn wordt aan het college opgelegd?
4. Omdat het college nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het college dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het college dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2.
Het college geeft in het verweerschrift van 19 maart 2026 aan dat de beslistermijn is overschreden wegens diverse omstandigheden. Hieronder valt het grote aantal zaken dat bij het college loopt, waardoor de behandeling van het bezwaar van eiser vertraging heeft opgelopen. Verder geeft het college aan dat het besluit uiterlijk 1 juni 2026 te verwachten is.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op het bezwaar te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat het college tot 1 juni 2026 de tijd krijgt om alsnog te beslissen op het bezwaar.
Welke dwangsom wordt aan het college opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat het college een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het college. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, het college de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het college de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het college op uiterlijk 1 juni 2026 alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat het college aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het college de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van
I. Ambachtsheer, griffier, op 3 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.