ECLI:NL:RBZWB:2026:2648
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen en verlenging wachttijd WIA
Eisers, een werkgever en werknemer, zijn het niet eens met de door het UWV opgelegde loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen en de verlenging van de loondoorbetalingsverplichting tijdens ziekte. De werknemer meldde zich ziek na een ongeval op 18 september 2019 en diende de WIA-aanvraag pas op 28 december 2022 volledig in, wat 546 dagen te laat was. Hierdoor werd de wachttijd voor loondoorbetaling verlengd tot 15 maart 2023.
Het UWV legde op 24 februari 2023 een loonsanctie op omdat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht. Eisers voerden aan dat de loonsanctie niet kon worden opgelegd omdat geen voorafgaand schriftelijk besluit was genomen over de verlenging van de wachttijd en dat de eerste ziektedag onjuist was vastgesteld. De rechtbank oordeelde dat de eerste ziektedag onbetwist 18 september 2019 was en dat de werkgever verantwoordelijk was voor de juiste melding aan de Arbodienst.
De rechtbank stelde vast dat het UWV terecht de wachttijd had verlengd vanwege de te late WIA-aanvraag en dat de loonsanctie terecht was opgelegd. Uit het arbeidsdeskundig onderzoek bleek dat de werknemer niet structureel passend werk verrichtte en dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen had geleverd, zoals het niet tijdig inzetten van spoor 1 en 2 trajecten. De toekenning van een WIA-uitkering aan de werknemer sluit niet uit dat de werkgever tekort is geschoten in zijn verplichtingen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees de terugbetaling van griffierecht en proceskosten af. Eisers kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de loonsanctie en verlenging van de wachttijd door het UWV.