ECLI:NL:CRVB:2009:BK3717
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen en weigering bekorting
In deze zaak is in hoger beroep beoordeeld of de werkgever terecht een loonsanctie van 52 weken opgelegd kreeg wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen tijdens ziekte van een werknemer. Het UWV had de loonsanctie opgelegd omdat de werkgever onvoldoende had gedaan om de werknemer, die arbeidsongeschikt was, te re-integreren, zowel binnen het eigen bedrijf als bij een andere werkgever (het tweede spoor).
De werkgever voerde onder meer aan dat de loonsanctie onterecht was, dat deze als een straf zou moeten worden gezien en dat de sanctie niet op maat was. Ook stelde zij dat zij onvoldoende duidelijkheid had over de re-integratieverplichtingen en dat het UWV te laat had beslist over de bekorting van de loonsanctie. De Raad oordeelde dat de loonsanctie een reparatoir karakter heeft en niet als straf in de zin van het EVRM kan worden aangemerkt. Verder is vastgesteld dat de werkgever vanaf juli 2006 had moeten onderzoeken welke re-integratiemogelijkheden er waren en dat zij onvoldoende voortvarend was in het inzetten van re-integratieactiviteiten.
De Raad bevestigde dat het UWV terecht de loonsanctie had opgelegd en geweigerd had deze te bekorten, omdat de werkgever de tekortkomingen niet had hersteld. De motivering van het UWV was voldoende concreet en de werkgever had niet tijdig en adequaat gehandeld. Ook de stelling dat de wetgeving ondeugdelijk is of dat er sprake is van rechtsongelijkheid werd verworpen. De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de eerdere uitspraken van de rechtbank.
Uitkomst: De loonsanctie van 52 weken wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen wordt bevestigd en niet verkort.