In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 21 januari 2026, wordt het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen door de Dienst Toeslagen beoordeeld. Eiser had eerder een aanvraag ingediend, waarop de rechtbank in een eerdere uitspraak van 24 december 2024 had bepaald dat de Dienst Toeslagen binnen zes weken moest beslissen. Eiser stelt dat deze termijn is overschreden en heeft beroep ingesteld. De rechtbank oordeelt echter dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat de Dienst Toeslagen na het instellen van het beroep alsnog op 12 augustus 2025 een besluit heeft genomen. Hierdoor heeft eiser geen procesbelang meer bij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank wijst erop dat, hoewel het beroep niet-ontvankelijk is, het beroep ook betrekking heeft op het alsnog genomen besluit. Aangezien de bezwaarfase nog niet is doorlopen, verwijst de rechtbank het beroep naar de Dienst Toeslagen om het te behandelen als bezwaarschrift tegen het besluit van 12 augustus 2025. De rechtbank beslist verder dat de Dienst Toeslagen het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden, maar dat eiser geen proceskosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. De uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, en openbaar gemaakt op www.rechtspraak.nl.