ECLI:NL:RBZWB:2026:271

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
BRE 25/3256
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van beroep wegens gebrek aan procesbelang en doorverwijzing naar bezwaarschriftprocedure

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 21 januari 2026, wordt het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen door de Dienst Toeslagen beoordeeld. Eiser had eerder een aanvraag ingediend, waarop de rechtbank in een eerdere uitspraak van 24 december 2024 had bepaald dat de Dienst Toeslagen binnen zes weken moest beslissen. Eiser stelt dat deze termijn is overschreden en heeft beroep ingesteld. De rechtbank oordeelt echter dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat de Dienst Toeslagen na het instellen van het beroep alsnog op 12 augustus 2025 een besluit heeft genomen. Hierdoor heeft eiser geen procesbelang meer bij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

De rechtbank wijst erop dat, hoewel het beroep niet-ontvankelijk is, het beroep ook betrekking heeft op het alsnog genomen besluit. Aangezien de bezwaarfase nog niet is doorlopen, verwijst de rechtbank het beroep naar de Dienst Toeslagen om het te behandelen als bezwaarschrift tegen het besluit van 12 augustus 2025. De rechtbank beslist verder dat de Dienst Toeslagen het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden, maar dat eiser geen proceskosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. De uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, en openbaar gemaakt op www.rechtspraak.nl.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3256

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

en

Dienst Toeslagen (voorheen Belastingdienst/Toeslagen), verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 24 december 2024. [1] In die uitspraak staat dat verweerder binnen zes weken moet beslissen op de aanvraag van eiser. Eiser stelt nu beroep in omdat verweerder dat volgens hem niet heeft gedaan.
1.1.
Omdat het beroep tegen het niet op tijd beslissen door verweerder kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [2]
Is het beroep ontvankelijk?
3. Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de rechtbank in haar uitspraak van 24 december 2024 al een termijn heeft gesteld waarbinnen verweerder een beslissing moest nemen, namelijk zes weken. [3] Die termijn was op het moment dat eiser beroep instelde (al lang) verstreken.
4. De rechtbank stelt vast dat verweerder na het instellen van het beroep alsnog een besluit heeft genomen op 12 augustus 2025. Hierdoor heeft eiser geen belang meer bij het beroep dat is gericht tegen het niet op tijd nemen van een besluit. Het beroep tegen het niet op tijd beslissen op de aanvraag van eiser is dan ook kennelijk niet-ontvankelijk.
5. Op grond van de wet ziet het beroep ook op het alsnog genomen besluit. [4] Uit de e-mail van 2 oktober 2025 blijkt dat eiser het niet eens is met dat besluit.
5.1.
Omdat de bezwaarfase nog niet is doorlopen, ziet de rechtbank aanleiding het beroep naar verweerder te verwijzen om het te behandelen als bezwaarschrift tegen het besluit van 12 augustus 2025. [5]
Wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser?
6. Omdat het besluit genomen is na het instellen van het beroep moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het niet op tijd nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
  • verwijst het beroep dat van rechtswege loopt tegen het besluit op de aanvraag naar verweerder om het te behandelen als bezwaarschrift;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 21 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.BRE 24/3451, ECLI:NL:RBZWB:2024:9238.
2.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
4.Artikel 6:20, derde lid, van de Awb.
5.Op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb.