Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2827

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/02/443177 FA RK 25/6537
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening zorgregeling en hulpverlening bij contactproblemen tussen ouders en minderjarige kinderen

Partijen zijn gescheiden en hebben drie minderjarige kinderen, waarbij de man en vrouw gezamenlijk het ouderlijk gezag dragen. Sinds november 2025 is er geen contact meer tussen de man en de kinderen, ondanks interventies van Veilig Thuis en hulpverlening. De man verzoekt een voorlopige zorgregeling en een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming.

De rechtbank oordeelt dat er voldoende belang is om niet te wachten op de hoofdzaak, gezien de langdurige contactonderbreking en de zorgelijke situatie met incidenten waarbij de kinderen betrokken waren. De vrouw wil contact onder begeleiding, de man stelt dat de problemen vooral in de communicatie tussen ouders liggen. Er is onduidelijkheid over wat het belang van de kinderen is en welke basis nodig is voor contactherstel.

De rechtbank verwijst partijen naar een passend (jeugd)hulpverleningstraject via het Uniform Hulpaanbod (UHA) om inzicht te krijgen in de gezinssituatie en het contact te begeleiden. Er wordt een termijn van negen maanden aangehouden voor het traject, waarna rapportage volgt. Afhankelijk van het resultaat kan de Raad een onderzoek instellen en advies uitbrengen over de zorgregeling. De beschikking bevat ook een dwangsom en voorwaarden voor het traject en verdere procedure.

De rechtbank benadrukt het belang van begeleide omgang en het snel starten van hulpverlening om het contact te herstellen en het gezamenlijk ouderschap vorm te geven. De beschikking is openbaar uitgesproken op 10 maart 2026 door mr. Van de Kraats.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot voorlopige zorgregeling toe en verwijst partijen naar een (jeugd)hulpverleningstraject om het contact te herstellen en gezamenlijk ouderschap vorm te geven.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/443177 FA RK 25/6537
datum uitspraak: 10 maart 2026
beschikking betreffende provisionele voorziening ex artikel 223 Rv Pro
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. A.E. Voorvaart-Kuik,
en
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. R.G.J. van Kerkhof.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 17 december 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het op 26 februari 2026 ontvangen verweerschrift met bijlagen;
- het F9-formulier van 27 februari 2026 van mr. Voorvaart-Kuik met bijlagen.
1.2. Bij voormeld verzoekschrift is (ook) de hoofdzaak aanhangig gemaakt. Deze procedure is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer C/02/443176 FA RK 25/6536. In de hoofdzaak ligt een verzoek tot verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ter beoordeling voor. De zitting in deze zaak is gepland op 16 maart 2026 om 15.30 uur.
1.3. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 2 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.
1.4. Op de mondelinge behandeling is tevens aanwezig geweest een vertegenwoordigster en een stagiair van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1.5. Na te noemen minderjarigen zijn gelet op hun leeftijd in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek
.Zij hebben van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1.
Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen hebben een relatie met elkaar gehad, welke in december 2024 is beëindigd.
- uit hun relatie zijn de volgende thans nog minderjarige kinderen geboren:
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2016,
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2017,
- Genoemde kinderen zijn door de man erkend.
- Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over die minderjarigen;
- De vrouw heeft uit een eerdere relatie een zoon, [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2013;
- De man heeft [minderjarige 3] erkend op 13 juli 2023 en is daarmee de juridische en gezaghebbende vader.
2.2.
De kinderen en de man hebben sinds 18 november 2025 geen contact meer met elkaar
gehad, ondanks interventies door Veilig Thuis.

3.Het verzoek

3.1.
De man verzoekt, samengevat, bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak:
  • een zorgregeling vast te stellen tussen hem en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van één weekend per veertien dagen, van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 19.00 uur, en iedere maandag en dinsdag van 15.00 uur tot 19.00 uur, waarbij de kinderen bij de man avondeten, en waarbij de man voorlopig haalt en brengt;
  • een onderzoek te gelasten door de Raad;
  • een dwangsom te verbinden aan de zorgregeling van € 250,= per dag of dagdeel dat de regeling niet wordt nagekomen.
3.2.
De vrouw heeft verweer gevoerd en verzocht tot afwijzing van de verzoeken van de man.

4.De beoordeling

Ontvankelijkheid
4.1.
Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv Pro kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering.
4.2.
In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv Pro worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank hangt het onderhavige verzoek tot vaststellen van een zorgregeling samen met het verzoek in de hoofdzaak, zodat de man kan worden ontvangen in zijn verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
4.4.
De rechtbank stelt voorop dat voor toewijzing van een verzoek in het kader van artikel 223 Rv Pro slechts plaats is, indien er naar het oordeel van de rechtbank voldoende belang bestaat in die zin dat van partijen niet gevergd kan worden dat zij de afloop van de hoofdzaak afwachten. Hoewel de bodemzaak op vrije korte termijn gepland staat om op zitting behandeld te worden, wordt hieraan voldaan, nu er al lange tijd helemaal geen contact is tussen de man en de kinderen en dit ook via [hulpverlening] en met voorwaarden van Veilig Thuis niet van de grond komt.
4.5.
Zowel uit de stukken van het geding als ter zitting is het de rechtbank duidelijk geworden dat de huidige situatie zorgelijk is. Er hebben zich verschillende incidenten voorgedaan, waarbij de kinderen ook (zijdelings) bij betrokken of getuige van zijn geweest. Partijen zijn reeds bekend bij [hulpverlening] en Veilig Thuis, die een contactregeling hebben bepaald tussen de man en de kinderen en verdere voorwaarden opgesteld waar partijen zich aan moeten houden. Ondanks deze afspraken komt het contact tussen de man en de kinderen niet van de grond. De vrouw vindt het van belang dat er contact komt tussen de man en de kinderen, mits het contactherstel rustig, veilig en onder begeleiding plaatsvindt. Het incident waarvan de kinderen getuige zijn geweest, heeft volgens de vrouw dusdanig impact op hen gehad dat zij nu geen contact met de man willen. Volgens de man liggen de problemen met name in de onderlinge verstandhouding van en communicatie tussen partijen. De kinderen zijn veilig bij de man. De visies van partijen staan dus recht tegenover elkaar. Onduidelijk is wat in het belang van de kinderen is, waar zij behoefte aan hebben en welke basis er moet zijn om te komen tot contactherstel tussen de kinderen en de man. Op dit moment is er geen zicht op de opvoedsituaties bij de ouders, de interacties tussen ouders onderling en de interacties tussen ouder-kind. Er dient zicht te komen op het gezinssysteem. Partijen zullen ook hun gezamenlijk ouderschap vorm moeten gaan geven en leren op ouderniveau te communiceren, waarbij zij de communicatie op ex-partnerniveau zoveel mogelijk achterwege laten. Ter zitting is een raadsonderzoek besproken, maar de wachttijden daarvan zijn lang en de Raad heeft aangegeven dat het in de rede ligt dat geconcludeerd wordt dat partijen hulpverlening nodig hebben en dan is er alsnog niets van de grond gekomen. Nu [hulpverlening] en Veilig Thuis reeds betrokken zijn is de verwachting dat een traject via het Uniform Hulpaanbod (UHA), zoals een traject bij de Gezinsmanager, sneller en doelmatiger is. Tijdens dat hulpverleningstraject kunnen zowel de kinderen als partijen meegenomen worden in wat nodig is om het contact tussen de man en kinderen te herstellen en het gezamenlijk ouderschap vorm te geven. De rechtbank is daarbij van oordeel dat, gelet op de lange duur dat er geen contact is geweest tussen de man en kinderen, begeleide omgang nodig is. Een neutrale derde kan bekijken hoe de kinderen en de man op elkaar reageren en wat de reactie van de vrouw is op het contactherstel. De rechtbank spreekt de hoop uit dat begeleide omgang snel kan starten, want hoe langer contactherstel uitblijft des te moeilijker het wordt. In beginsel zijn kinderen immers gebaat bij contact met beide ouders, mits dit op een onbelaste manier plaatsvindt. Daar bestaan nu nog zorgen over en daar moet zicht op komen.
4.6.
Gelet op het voorgaande, vindt de rechtbank het, net als de Raad, nodig dat voor deze ouders en hun minderjarige kinderen een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling ermee ingestemd dat de rechtbank hen en hun minderjarige kinderen voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant. De verwijzing heeft op 2 maart 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
4.7.
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
4.8.
Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; (keuze: zware/systeemgerichte interventie);
- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;
- de nieuwe gezinssituaties zorgen gezamenlijk voor een goede basis voor de ontwikkeling van het kind.
De resultaten zijn ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is aan deze beschikking (bijlage 1).
Ten aanzien van het verdere verloop van het traject overweegt de rechtbank als volgt.
4.9.
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/[hulpverlening] op te maken rapport gevoegd.
Tussen partijen is een bodemprocedure aanhangig, bij deze rechtbank bekend onder zaaknummer
C/02/443176 FA RK 25/6536.
Voor het doorlopen van een hulpverleningstraject waarbij zoals hier wordt ingezet op onbelast contact wordt standaard een termijn van 9 maanden aangehouden.
Gelet hierop verzoekt de rechtbank het loket om de volledige
UHA-rapportage
uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, in de hiervoor genoemde
bodemprocedurein te brengen. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/[hulpverlening] kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
4.10.
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling in de bodemprocedure nog nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de in die procedure gedane verzoeken met betrekking tot de kinderen.
4.11.
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de raad. De raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
4.12.
Wanneer de raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA-rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
4.13.
Wanneer de raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de raad dit onderzoek te verrichten en daarover in de in de bodemprocedure bekend onder zaak-nummer
C/02/443176 FA RK 25/6536een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Welke zorgregeling door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?
- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
- Zijn er contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke?
- In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
4.14.
Deze beschikking is een verzoek aan de raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
4.15.
Na een onderzoek of interventie van de raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid om binnen een termijn van 14 dagen op de rapportage van de raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
4.16.
De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verwijst ouders en hun minderjarige kinderen voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant. Het loket zal ouders en kinderen vervolgens via de [hulpverlening] van de woonplaatsgemeente van de minderjarigen verwijzen naar de zorgaanbieder;
5.2.
verzoekt het loket om uiterlijk op
16 december 2026 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, in de in de
bodemprocedurebekend onder zaaknummer
C/02/443176 FA RK 25/6536de rapportage over het verloop en het resultaat van het (jeugd)hulpverleningstraject ter griffie in te dienen;
5.3.
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de raad;
5.4.
verzoekt de raad binnen veertien dagen na ontvangst van de UHA-rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
5.5.
verzoekt de raad, regio Zeeland, West- en Midden-Brabant, locatie Breda wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de raad daartoe zelf aanleiding ziet, bodemprocedure bekend onder zaaknummer
C/02/443176 FA RK 25/6536onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in r.o. 4.13 opgenomen vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
5.6.
verzoekt de raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van dit rapport en advies aan de advocaten van partijen;
5.7.
weigert het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, en, in tegenwoordigheid van mr. Mandemakers, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
.