ECLI:NL:RBZWB:2026:2828

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/02/443282 / FA RK 25-6606
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Meyboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige omgangsregeling en opdracht raadsonderzoek in familierechtelijke zaak

Partijen, voormalige partners, hebben een minderjarig kind samen. De man verzoekt een voorlopige omgangsregeling omdat hij sinds juli 2025 geen contact meer heeft met het kind. De vrouw stelt dat het contact voorzichtig moet worden opgebouwd vanwege traumatische ervaringen van het kind en dat hulpverlening nog loopt.

De rechtbank beoordeelt dat het ontbreken van contact niet in het belang van het kind is, maar dat onvoldoende informatie beschikbaar is om een voorlopige regeling vast te stellen. De tegenstrijdige verklaringen en het ontbreken van recente stukken over de hulpverlening maken een inhoudelijke beslissing nu niet mogelijk.

Daarom wijst de rechtbank het verzoek af en verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek in te stellen naar de omgangsregeling, met specifieke vragen over de aard, duur, frequentie en eventuele contra-indicaties. Het rapport moet worden ingediend in de hoofdzaak vóór 8 september 2026.

Partijen stemmen in met het raadsonderzoek. De beschikking is gegeven door kinderrechter Meyboom en griffier Van der Burgt-de Klerk op 20 februari 2026. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden.

Uitkomst: Verzoek tot voorlopige omgangsregeling wordt afgewezen en Raad voor de Kinderbescherming wordt verzocht een onderzoek in te stellen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/443282 / FA RK 25-6606
20 februari 2026
Beschikking betreffende provisionele voorzieningen ex art. 223 Rv Pro.
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. M.M. van der Marel,
en
[de vrouw],
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. M.J.E.M. Edelmann.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 15 december 2025 in de bodemprocedure van de man ontvangen verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken en verzoek tot provisionele voorziening omgangsregeling, met bijlagen;
- het op 22 januari 2026 van de vrouw ontvangen verweerschrift met bijlagen.
1.2. In voormeld door de man ingediende inleidende processtuk is niet alleen in de bodemprocedure verweer gevoerd, maar is ook onderhavige provisionele voorziening tot vaststelling van een omgangsregeling aanhangig gemaakt. De hoofdzaak is bij de rechtbank geregistreerd onder kenmerk C/02/439827 / FA RK 24-4727. In de hoofdzaak liggen verzoeken ter zake het gezag, vaststelling van een zorg- dan wel omgangsregeling en vaststelling van een kinderbijdrage ter beoordeling voor.
1.3. De zaak is behandeld op de zitting van 11 februari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en met elkaar samengeleefd.
2.2.
Uit hun relatie is het volgende nu nog minderjarige kind geboren: [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021. [minderjarige] is door de man erkend. De vrouw is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3.
Er is geen rechterlijke uitspraak van kracht ter zake de omgangsregeling.

3.Het verzoek

3.1.
De man verzoekt bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak, een zorg-, dan wel omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] te bepalen.

4.De beoordeling

4.1.
De man legt aan zijn verzoek ten grondslag dat de vrouw sinds het beëindigen van de relatie de omgang tussen hem en [minderjarige] hindert. Op enig moment mocht de man van haar videobellen met [minderjarige] , maar vanwege de taal-/spraakachterstand van [minderjarige] is videobellen niet mogelijk. Tijdens de zitting heeft de man toegelicht dat hij [minderjarige] sinds juli 2025 niet meer heeft gezien. Volgens de man is het in het belang van [minderjarige] dat het contact met hem zo spoedig mogelijk wordt hersteld. De man heeft verder gezegd dat hij via mail contact heeft opgenomen met de vrouw omdat hij weer contact wilde met [minderjarige] . De man is niet betrokken geweest bij het door de vrouw overgelegde rapport van Veilig Thuis. Volgens de man is bij hem geen sprake van cocaïneverslaving, maar gebruikte hij in het verleden cocaïne in verband met zijn zware ADHD. Inmiddels gebruikt de man hiervoor al geruime tijd Ritalin.
4.2.
De vrouw zegt dat [minderjarige] na het verbreken van de relatie tussen partijen contact zou houden met zijn vader, maar sinds het najaar 2025 heeft zij niets meer vernomen van de toenmalige advocaat van de man. De enige reactie vanuit de man bestond volgens de vrouw uit dreigende en provocerende mails. Nadat de vrouw bij de politie aangifte heeft gedaan, is Veilig Thuis bij het gezin betrokken geraakt. Volgens de vrouw is [minderjarige] getuige geweest van mishandeling en moet het contact met zijn vader heel voorzichtig opgebouwd worden en het liefst onder begeleiding. Volgens de vrouw is de man verslaafd en niet betrouwbaar gebleken. Tijdens de zitting heeft de vrouw gezegd dat [minderjarige] nu hulpverlening krijgt vanuit Sterk Huis. Deze hulpverlening is, aldus de vrouw, voorlopig alleen nog gericht op traumabehandeling en nog niet op het herstel van het contact tussen de man en [minderjarige] .
Ontvankelijkheid
4.3.
Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv Pro kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering. In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv Pro worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank hangt het onderhavige verzoek tot vaststelling van een zorg- dan wel omgangsregeling samen met het verzoek in de hoofdzaak, zodat de man kan worden ontvangen in zijn verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
4.5.
De rechtbank stelt voorop dat voor toewijzing van een verzoek in het kader van artikel 223 Rv Pro slechts plaats is, indien er naar het oordeel van de rechtbank voldoende belang bestaat in die zin dat van partijen niet gevergd kan worden dat zij de afloop van de hoofdzaak afwachten. Daarnaast dient de rechtbank de belangen van partijen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.
4.6.
Tussen partijen staat vast dat de man vanaf juli 2025 geen contact meer heeft gehad met [minderjarige] . Gelet op de leeftijd van [minderjarige] van nu 4 jaar, acht de rechtbank in beginsel het ontbreken van contact met zijn vader niet in het belang van [minderjarige] . Ook beide partijen hebben tijdens de zitting aangegeven dat zij willen dat het contact tussen [minderjarige] en zijn vader weer wordt hersteld. Partijen zijn het echter volstrekt niet met elkaar eens over de wijze waarop het contactherstel plaats zou kunnen gaan vinden. Zo heeft de man gezegd dat geen sprake is van contra-indicaties en dat het contact met [minderjarige] , al dan niet via een opbouwregeling, weer tot stand kan komen. Volgens de vrouw is eerst hulpverlening (traumabehandeling) voor [minderjarige] nodig voordat onder begeleiding toegewerkt kan gaan worden naar herstel van het contact met zijn vader. De rechtbank kan, gelet op de tegenstrijdige verklaringen van beide partijen, niet beoordelen welke omgangsregeling nu in het belang is van [minderjarige] . Door de vrouw zijn geen recente stukken overgelegd met betrekking tot de door haar gestelde traumabehandeling voor [minderjarige] .
4.7.
De rechtbank ziet zich, gelet op het voorgaande en de nog jonge leeftijd van [minderjarige] , op dit moment onvoldoende geïnformeerd om een beslissing te kunnen geven op het verzoek van de man tot vaststelling van een voorlopige omgangsregeling. De rechtbank zal de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) verzoeken een onderzoek in te stellen. Beide partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij instemmen met een raadsonderzoek.
4.8.
De rechtbank verzoekt de Raad om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Welke omgangsregeling tussen de man en de minderjarige komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarige?
- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
- Zijn er contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke?
- In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
- Welke overige opmerkingen acht de Raad van belang?
4.9.
De rapportage van de raad moet worden ingediend in de aanhangig gemaakte bodemprocedure (C/02/439827 / FA RK 24-4727). De rechtbank ziet geen aanleiding om deze procedure tot het treffen van een provisionele voorziening aan te houden in afwachting van de uitkomst van het raadsonderzoek. Dit omdat de aard van deze procedure zich niet leent voor een aanhouding. Het verzoek van de man, tot vaststelling van een voorlopige omgangsregeling, zal worden afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Breda een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hierboven vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, en bepaalt dat het hierover door de Raad voor de Kinderbescherming op te maken rapport bij de rechtbank moet worden ingediend vóór 8 september 2026 in de hoofdzaak met kenmerk C/02/439827 / FA RK 24-4727;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Meyboom, kinderrechter, en in tegenwoordigheid van Van der Burgt-de Klerk, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.