Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2831

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/02/443658 / FA RK 26-43
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige zorgregeling voor minderjarige kinderen in afwachting van hoofdzaak

Partijen, ouders van twee minderjarige kinderen, zijn in geschil over de voorlopige zorgregeling. De man verzoekt om uitbreiding van de contactmomenten met de kinderen, zodat zij in de ene week van woensdagmiddag tot maandag bij hem verblijven en in de andere week tot donderdag, met als doel meer rust en continuïteit voor de kinderen.

De vrouw verzet zich tegen het verzoek en wijst op communicatieproblemen en het belang van rust voor de kinderen. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert een beperkte uitbreiding, namelijk toevoeging van vrijdagmiddag, om de rust te waarborgen.

De rechtbank oordeelt dat het belang van de kinderen voorop staat en dat de gevraagde uitbreiding geen onredelijke wijziging is. De rechtbank wijkt af van het advies van de Raad en kent het verzoek van de man toe, met het oog op minder wisselmomenten en meer rust in de opvoedsituatie. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad gegeven.

Uitkomst: Verzoek man tot uitbreiding voorlopige zorgregeling wordt toegewezen met verblijf van kinderen bij man van woensdagmiddag tot maandag in de ene week en tot donderdag in de andere week.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/443658 / FA RK 26-43
datum uitspraak: 10 maart 2026
beschikking betreffende provisionele voorziening ex artikel 223 Rv Pro
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. M.E. Kok te Goes,
en
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. R. Wouters te Middelburg.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de (kinder)rechter over het verzoek te adviseren.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 5 januari 2026ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- F9-formulier van mr. Kok van 13 januari 2026 met bijlagen;
- het op 26 februari 2026 ontvangen verweerschrift van de vrouw met bijlagen;
- F9-formulier van 26 februari 2026 met bijlagen van mr. Kok.
1.2. Bij voormeld verzoekschrift is ook de hoofdzaak aanhangig gemaakt, welke procedure bij de rechtbank geregistreerd staat onder kenmerk C/02/443620 / FA RK 26-15. In de hoofdzaak ligt een verzoek tot het bepalen van een zorg- en contactregeling ter beoordeling voor.
1.3. De zaak is behandeld op de zitting van 3 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Op de zitting is tevens aanwezig geweest een vertegenwoordigster van de Raad.
1.4. De advocaat van de man en de advocaat van de vrouw hebben ter zitting een pleitnota overgelegd.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie zijn twee, thans nog minderjarige, kinderen geboren:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2020 te [geboorteplaats 1] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2021 te [geboorteplaats 2] .
2.2.
De man heeft de minderjarigen erkend. De minderjarigen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen;
2.3.
Bij vonnis in kort geding van 1 oktober 2025 zijn de minderjarigen voorlopig aan de vrouw toevertrouwd en is een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen bepaalt van € 500,- per kind per maand zulks met ingang van 1 augustus 2025 door de man aan de vrouw te voldoen. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.
2.4.
[minderjarige 2] gaat sinds 28 september 2025 naar school. Vanaf dat moment verblijven de kinderen iedere woensdag van 12.00 uur tot donderdag 08.30 uur bij de man en daarnaast één keer in de twee weken een weekend van vrijdag 17.15 uur tot maandag 08.30 uur.

3.Het verzoek

3.1.
De man verzoekt bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad tussen de man en de kinderen een voorlopige zorgregeling vast te stellen, inhoudende dat de kinderen in de ene week van woensdagmiddag uit school tot en met maandag naar school bij de man verblijven en in de andere week van woensdagmiddag uit school tot donderdag naar school, dan wel een in goede justitie te bepalen voorlopige zorg- en contactregeling tussen de man en de kinderen vast te stellen.
3.2.
De vrouw voert verweer tegen het verzoek van de man en verzoekt dit verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.

4.De standpunten

4.1.
De man stelt, kort samengevat, dat de huidige contactmomenten veel te kort zijn en dat er te veel tijd tussen de verschillende contactmomenten zit. De huidige zorgregeling is niet in het belang van de kinderen. Er is sprake van onnodig veel wisselingen voor de kinderen. Het zou voor de kinderen veel meer rust met zich meebrengen als zij bij wijze van voorlopige voorziening in ieder geval van woensdag 12.00 uur tot maandag 08.30 uur bij de man kunnen verblijven. Het gaat dan om extra zorg wat de man voor zijn rekening neemt op donderdagmiddag t/m vrijdagochtend. De man heeft dan ook de mogelijkheid om meer inmenging te hebben met school. De vrouw is echter niet bereid om mee te werken aan enige vorm van uitbreiding.
De man wil graag toewerken naar een co-ouderschapsregeling. Als opbouw stelt hij voor dat de kinderen in de ene week van woensdagmiddag tot en met maandag naar school bij hem verblijven en in de andere week van woensdagmiddag tot donderdag naar school. Deze regeling komt veel meer aan de belangen van de kinderen tegemoet. Zij hebben dan ook de mogelijkheid om met vriendjes te spelen bij de man thuis en naar kinderfeestjes te gaan. De man kan met zijn werk regelen dat hij werkt tijdens schooltijden en daarna vrij kan zijn en beschikbaar kan zijn voor de kinderen. Hij hoeft geen gebruik te maken van de BSO.
De man geeft toe dat er een korte periode was dat hij niet lekker in zijn vel zat vanwege de
problemen die er speelden in het kader van de scheiding. Partijen hebben daarna duidelijke
afspraken over de financiën kunnen maken en toen is er ook meer rust ontstaan. De man is bovendien veel gaan sporten, wat voor hem een goede uitlaatklep is gebleken. De door vrouw geschetste problematiek is dan ook niet (meer) aan de orde en zeker niet van dien aard dat inzet van een psycholoog noodzakelijk is.
De man is van mening dat partijen prima met elkaar kunnen communiceren, maar staat open voor verbetering van de communicatie. Het ouderschapsbemiddelingstraject is daarvoor bedoeld en is niet bedoeld om afspraken te maken over de omgang.
4.2.
De vrouw stelt dat er geen spoedeisend belang is bij het verzoek van de man. Partijen hebben zich aangemeld bij de hulpverlening en het traject ouderschapsbemiddeling kan op korte termijn opstarten. Partijen kunnen dan ook via de hulpverlening de omgang gaan vormgeven.
Op dit moment vindt de vrouw een uitbreiding geen goed idee. Er moet eerst verbetering in de omgang van de man met de kinderen komen. Er wordt tijdens de omgang tegen de kinderen geschreeuwd en de man pakt de kinderen hardhandig vast. De kinderen geven bij de vrouw aan dat ze willen dat papa liever is.
Daarnaast speelt mee dat de vrouw er alles aan doet om de week rustig te houden voor de kinderen. Anders is het, als [minderjarige 1] naar de voetbaltraining moet en op ziekenbezoek en de man gaat dan ook nog naar het strand met de kinderen, aan het einde van de week te veel voor de kinderen. [minderjarige 2] heeft bijvoorbeeld een kindje geslagen, daaraan is volgens de vrouw te merken dat het allemaal te veel was voor de kinderen.
4.3.
Op de verdere standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van het verzoek, hierna ingegaan.

5.De beoordeling

Ontvankelijkheid
5.1.
Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv Pro kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering.
5.2.
In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv Pro worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank hangt het onderhavige verzoek tot het bepalen van een voorlopige zorgregeling samen met het verzoek in de hoofdzaak, zodat de man kan worden ontvangen in zijn verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
5.4.
De rechtbank stelt voorop dat voor toewijzing van een verzoek in het kader van artikel 223 Rv Pro slechts plaats is, indien er naar het oordeel van de rechtbank voldoende belang bestaat in die zin dat van partijen niet gevergd kan worden dat zij de afloop van de hoofdzaak afwachten. Daarnaast dient de rechtbank de belangen van partijen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.
5.5.
In tegenstelling tot de (advocaat van de) vrouw, die aangeeft dat de hoofdzaak op korte termijn behandeld zal worden en dat de man om die reden geen belang heeft bij zijn verzoek, is de rechtbank van oordeel dat de man dit belang wel heeft. In de hoofdzaak van partijen zijn nog geen verhinderdata opgevraagd voor het daadwerkelijk inplannen van een zitting. Daar komt bij dat partijen met de hulpverlening aan de slag gaan om hun onderlinge communicatie te verbeteren. Het kan dus zelfs zo zijn dat partijen uiteindelijk zelf uitstel van de hoofdzaak gaan vragen, omdat zij met de hulpverlening afspraken maken. In het tussentijd zijn partijen gebaat bij een oordeel over of er een andere voorlopige zorgregeling moet komen of niet. Dat de vordering van de man eerder in kort geding is afgewezen, maakt dit niet anders, nu een kort geding procedure een ander toetsingskader kent.
5.6.
De Raad heeft tijdens de zitting aangegeven in de basis geen zorgen te hebben over een toewijzing van het verzoek van de man. De Raad heeft wel aangegeven dat de kinderen er meer bij gebaat zijn als de ouders om de tafel gaan en het vertrouwen krijgen als opvoeders van de kinderen om zelf tot afspraken te komen. De Raad vindt dat meer in het belang van de kinderen, omdat er dan sprake is van een gedragen zorgregeling. De kinderen hebben recht op onbelast contact met beide ouders. Het belang van de kinderen moet voorop staan.
De Raad adviseert om de vrijdagmiddag als voorlopige regeling in afwachting van de hoofdzaak toe te voegen aan de nu lopende regeling. Daarbij zullen de ouders met de hulpverlening in gesprek met elkaar moeten gaan over hoe zij de zorgtaken tussen hen beiden gaan verdelen, zodat beide ouders evenveel tijd hebben om ook leuke dingen met de kinderen te kunnen doen.
5.7.
Voor de vrouw is op dit moment de vrijdagmiddag van belang, omdat dit haar moment in de week is dat zij rustig met de kinderen kan samenzijn. De Raad adviseert echter om één keer in de twee weken de kinderen vanaf vrijdag na school naar de man te laten gaan. Voor de kinderen betekent dit dat zij een keer in de twee weken op donderdag na school tot vrijdagochtend voor school bij de vrouw verblijven. Gelet op de door de vrouw geschetste behoefte van de kinderen aan rust vindt de rechtbank dit voor de kinderen onrustiger dan de huidige regeling of het verzoek van de man.
5.8.
De rechtbank is van oordeel dat de door de vrouw geschetste communicatieproblemen niet aan een uitbreiding van de zorgregeling in de weg staan. Partijen gaan hier hulpverlening voor aan. Als er bij deze hulpverlening ook direct gesproken moet gaan worden over de zorgregeling verwacht de rechtbank weinig resultaat. Het is duidelijk dat de man niet achter de huidige zorgregeling staat. Het is ook duidelijk dat de vrouw op dit moment nog geen uitbreiding van de zorgregeling wil.
5.9.
In de afweging van de rechtbank staat het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] echter voorop. Nu het de ouders op dit moment niet lukt om te komen tot een door beide ouders gedragen zorgregeling is het aan de rechtbank om hierin in het kader van een voorlopige zorgregeling knopen door te hakken. De rechtbank zal daarbij afwijken van het advies van de Raad. Het advies om de vrijdagmiddag toe te voegen aan de huidige zorgregeling schaadt naar het oordeel van de rechtbank de belangen van alle drie of beter gezegd alle vier de betrokkenen. Voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] levert het geen extra rust op, het aantal wisselmomenten blijft hetzelfde. En voor de vrouw is het extra pijnlijk, omdat zij daardoor haar belangrijke middag kwijt is, zonder dat dit voor de kinderen extra rust oplevert.
De rechtbank zal om die reden het verzoek van de man volledig toewijzen. Op die manier zijn er wel minder wisselmomenten voor de kinderen en kunnen zij ook in de opvoedsituatie bij de man rust gaan ervaren. De rechtbank verwacht met deze beslissing bovendien ook dat de ouders beter naar elkaar gaan luisteren. En dat de vrouw hopelijk gaat ervaren dat de kinderen ook meer rust ervaren in de opvoedsituatie bij de man.
5.10.
De rechtbank heeft bij het nemen van deze beslissing meegewogen dat de kinderen toen de vrouw onlangs een hersenschudding had ook gedurende de schoolweek bij de man hebben verbleven. Dat de man minder rekening heeft gehouden met de volgens de vrouw benodigde rust voor de kinderen in deze week, dan dat de vrouw zou hebben gedaan, betekent niet dat dit een reden is om uitbreiding tegen te houden. De man zal ook moeten gaan ervaren wat wel en wat niet kan, zeker als er in een dergelijke week ook voor het eerst een voetbaltraining is. De man kan dit echter pas gaan ervaren als hij de kinderen vaker meerdere dagen achter elkaar bij zich heeft.
5.11.
De rechtbank is bovendien van oordeel dat de gevraagde uitbreiding, zeker gelet op het feit dat de kinderen onlangs inclusief de vakantieweek tweeëneenhalve week bij de man verbleven hebben, geen enorme wijziging van de huidige zorgregeling betreft. De kinderen hebben een leeftijd waarop zij een dergelijke zorgregeling aan zouden moeten kunnen. De Raad heeft ook geen bezwaren tegen de regeling.
5.12.
De rechtbank merkt bij het nemen van deze beslissing wel op dat de ouders het advies van de Raad ter harte moeten nemen. De Raad heeft ter zitting duidelijk aangegeven dat de ouders de hulpverlening de tijd moeten geven. Dat betekent ook dat vervolgstappen in de uitbreiding van de zorgregeling niet binnen enkele maanden genomen hoeven te worden. Het is aan de ouders om met een gezamenlijk gedragen plan te komen, zodat de kinderen in de toekomst onbelast tussen beide ouders op en neer kunnen gaan. Het is van groot belang dat partijen in elkaar als ouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijnde gaan vertrouwen en dat de verwijten stoppen. Het zou daarbij voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] fijn zijn als de ouders een beetje meer dezelfde opvoedstijl zouden hanteren. Ook dit is een gesprek wat de ouders met de hulpverlening kunnen gaan hebben.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.13.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De rechtbank doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
bepaalt bij wege van provisionele voorziening, totdat in de hoofdzaak definitief is beslist, dat de man en de minderjarigen, [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2020 te [geboorteplaats 1] , en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2021 te [geboorteplaats 2] , in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar in de ene week van woensdagmiddag uit school tot en met maandag naar school en in de andere week van woensdagmiddag uit school tot donderdag naar school;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, tevens kinderrechter, en, in tegenwoordigheid van mr. De Bont, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.