De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 14 april 2026 uitspraak gedaan in het bestuursrechtelijke geschil tussen een kinderopvangorganisatie en het UWV over de toekenning van een WIA-uitkering aan een werkneemster. Het UWV had aanvankelijk geweigerd een uitkering toe te kennen, maar na bezwaar van de werkneemster werd alsnog een uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 38,12%. De kinderopvang stelde beroep in tegen dit besluit.
De rechtbank heeft het beroep inhoudelijk beoordeeld aan de hand van de medische rapportages van de verzekeringsarts en de arts bezwaar en beroep (b&b), alsmede de beoordeling van de arbeidsdeskundige. De verzekeringsarts b&b had aanvullende beperkingen vastgesteld en de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) aangepast. De rechtbank oordeelde dat deze afwijking goed was onderbouwd en dat de beperkingen niet waren overschat.
Verder achtte de rechtbank de door het UWV gekozen functies geschikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid. Omdat de kinderopvang geen gegronde bezwaren tegen de berekening had ingebracht, werd het percentage van 38,12% bevestigd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor het besluit van het UWV in stand blijft en de kinderopvang geen proceskostenvergoeding ontvangt.