Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2877

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
C/02/427591 / FA RK 24-4756
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:246 BWArt. 1:253b BWArt. 1:253c BWArt. 1:253e BWArt. 1:253n BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing gezamenlijk gezag en hoofdverblijf na opheffing curatele moeder

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het verzoek van de moeder om het gezag over haar minderjarige kind gezamenlijk met de vader uit te oefenen en het hoofdverblijf bij haar vast te stellen. De moeder was ten tijde van de geboorte onder curatele, waardoor de vader eenhoofdig gezag kreeg toegewezen. Na opheffing van de curatele in 2018 en gewijzigde omstandigheden, waaronder de verbroken relatie en detentie van de vader, verzocht de moeder om gezamenlijk gezag.

De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 1:253b lid 3 BW gezamenlijk gezag niet mogelijk is, maar dat op grond van artikel 1:253o BW het verzoek ambtshalve kon worden aangevuld en toegewezen. De gewijzigde omstandigheden en het belang van het kind maakten het wenselijk het eenhoofdig gezag te wijzigen in gezamenlijk gezag.

De rechtbank stelde vast dat het kind bij de moeder woont, dat de ouders ondanks de situatie goed contact onderhouden en samen belangrijke beslissingen nemen. Het verzoek tot gezamenlijk gezag en hoofdverblijf bij de moeder werd daarom toegewezen. Het voorwaardelijke verzoek van de vader werd afgewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt het eenhoofdig gezag in gezamenlijk gezag en stelt het hoofdverblijf van de minderjarige vast bij de moeder.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/427591 / FA RK 24-4756
datum uitspraak: 13 maart 2026
beschikking betreffende vaststelling hoofdverblijf en wijziging gezag
in de zaak van
[de vrouw],
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. M. Czarnota te Oosterhout,
tegen
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. C.E.J.E. Kouijzer te Middelburg,
over
de minderjarige
[minderjarige 1] ,geboren op [geboortedag] 2012 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het procesverloop

1.1
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het op 4 oktober 2024 ontvangen verzoek van de vrouw tot wijziging van het hoofdverblijf en uitbreiding van het gezag, met bijlagen;
- de brief van de man van 28 oktober 2024, door de rechtbank ontvangen op 4 november 2024;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 11 maart 2025;
- de brief van 4 september 2025 van mr. Czarnota, met bijlagen;
- het op 9 september 2025 door mr. Czarnota ingediende F9-formulier, met bijlage;
- het op 27 januari 2026 door mr. Czarnota ingediende F9-formulier, met bijlage;
- het op 4 februari 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk zelfstandig verzoek van de man.
1.2
De verzoeken zijn eerder behandeld op 11 maart 2025. Van die zitting is verkort proces-verbaal opgemaakt.
1.3
De voortgezette behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 6 februari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen bijgestaan door hun advocaten, en een vertegenwoordigster namens de Raad.
1.4
[minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1
Partijen hebben een relatie gehad, waaruit op [geboortedag] 2012 te [geboorteplaats] [minderjarige 1] is geboren.
2.2
De man heeft [minderjarige 1] erkend op 2 juli 2012.
2.3
Bij beschikking van de rechtbank van 4 maart 2013 is de man belast met het
eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] , omdat de vrouw sinds de geboorte van [minderjarige 1] onder
curatele stond.
2.4
De curatele van de vrouw is in 2018 door de rechter opgeheven.
2.5
[minderjarige 1] verblijft bij de vrouw.

3.De verzoeken

3.1
De vrouw verzoekt, na schriftelijke wijziging van haar verzoeken:
- te bepalen dat [minderjarige 1] hoofdverblijf zal hebben bij haar;
- te bepalen dat zij voortaan het gezag zal uitoefenen over [minderjarige 1] op grond
van artikel 1:253b lid 3 BW en daarmee voor zover nodig te bepalen dat dit tot gevolg heeft dat zij samen met de man het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] zal uitoefenen, althans een beslissing te nemen door de rechtbank die de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.
3.2
De man stemt in met de verzoeken van de vrouw, zulks voor zover het verzoek van de vrouw ten aanzien van het gezag niet het gevolg heeft dat hij zijn gezag over [minderjarige 1] verliest. Indien toewijzing van het verzoek van de vrouw op grond van artikel 1:253b BW tot gevolg heeft dat hij het gezag over [minderjarige 1] verliest, verzoekt de man bij voorwaardelijk zelfstandig verzoek om te bepalen dat hij en de vrouw voortaan op grond van artikel 1:253c j.o. 1:253o BW gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] worden belast.
3.3
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

Gezag;
4.1.
De vrouw verzoekt om haar samen met de man met het gezag over [minderjarige 1] te belasten. Zij baseert haar verzoek op artikel 1:253b lid 3 jo. lid 4 Burgerlijk Wetboek (BW).
4.2.
Vast staat dat de vrouw ten tijde van de geboorte van [minderjarige 1] onder curatele stond en daarmee onbevoegd was tot het gezag over [minderjarige 1] (artikel 1:246 BW Pro). Op grond van artikel 1:253b lid 2 BW krijgt een moeder die ten tijde van haar bevalling onbevoegd was tot het gezag, van rechtwege het gezag op het tijdstip waarop zij daartoe bevoegd wordt, tenzij op dat tijdstip een ander met het gezag is belast. In dit geval is de man door de rechtbank bij beschikking van 4 maart 2013 belast met het gezag over [minderjarige 1] . Dit betekent dat de vrouw niet van rechtswege het gezag over [minderjarige 1] heeft gekregen op het moment dat zij niet meer onder curatrele stond en zij weer bevoegd tot het gezag over [minderjarige 1] is geworden. De vrouw kan in dat geval op grond van artikel 1:253b lid 3 BW de rechtbank verzoeken om haar met het gezag over [minderjarige 1] te belasten, zoals de vrouw nu ook heeft gedaan.
4.3.
Zoals uit het verzoekschrift van de vrouw blijkt en ook ter zitting door haar nadrukkelijk is bevestigd, is het de bedoeling van de vrouw om samen met het de man het gezag over [minderjarige 1] uit te oefenen. Anders dan de vrouw, is de rechtbank echter van oordeel dat met een verzoek gebaseerd op artikel 1:253b lid 3 BW niet het gezamenlijk gezag van partijen tot stand kan worden gebracht. Artikel 1:253e BW bepaalt dat inwilliging van het verzoek van een der ouders als bedoeld in de artikelen 253
b, 253
cen 253
d, indien de ander het gezag tot dusverre uitoefende, tot gevolg heeft dat de laatste het gezag verliest. Wesliswaar treedt dit gevolg volgens de tweede volzin niet in indien de ouders als gevolg van de rechterlijke beslissing met het gezamenlijk gezag zijn belast, maar die zin lijkt te verwijzen naar situaties waarin de wet gezamenlijk gezag mogelijk maakt, zoals bij artikel 1:253c BW het geval kan zijn (
Kamerstukken II2003/04, 29353, 9). Dat is bij artikel 1:253b BW niet het geval; dit artikel regelt het gezag van een moeder alleen.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw op grond van artikel 1:253o BW wel met het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] zou kunnen worden belast. De rechtbank zal daarom ambtshalve de rechtsgronden aanvullen en het verzoek van de vrouw beoordelen aan de hand van het bepaalde in artikel 1:253o BW.
4.5.
Artikel 1:253o BW bepaalt dat (rechterlijke) beslissingen waarbij een ouder alleen met het gezag is belast, gegeven ingevolge het bepaalde in de paragrafen 1, 2 en 2a van titel 14 van boek 1 BW en het bepaalde in artikel 253n BW, op verzoek van de ouders of van een van hen door de rechtbank kunnen worden gewijzigd op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
4.6.
Hoewel de rechtbank aan de hand van de beschikking van 4 maart 2013 niet kan vaststellen op welke grondslag de man bij die beslissing met het gezag over [minderjarige 1] is belast, ligt het voor de hand dat deze beslissing is gegeven ingevolge het bepaalde in de artikelen 1:253b lid 1 jo. 1:253c BW (paragraaf 2 van titel 14 van boek 1 BW), nu artikel 1:253c het gezag van de andere ouder regelt in de situatie dat niet in het gezag is voorzien. Vervolgens dient te worden beoordeeld of sinds de beschikking van 4 maart 2013 de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
4.7.
Vast staat dat sprake is van gewijzigde omstandigheden sinds de beschikking van 4 maart 2013. Gebleken is dat de vrouw al sinds 2018 niet meer onder curatele staat. Daarnaast is de relatie van partijen in mei 2024 verbroken, nadat er ernstige zorgen naar voren zijn gekomen over het gedrag van de man tegenover de vrouw en tegenover de andere dochter van de vrouw, [minderjarige 2] . De man, die op dit moment nog steeds alleen het gezag over [minderjarige 1] heeft, verblijft sinds augustus 2024 in detentie.
4.8.
De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of de situatie sinds de uitspraak van 4 maart 2013 zodanig is veranderd dat het niet langer in het belang van [minderjarige 1] is om het eenhoofdig gezag te handhaven (noot van Wortmann bij HR 11 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2731,
NJ2008/322). De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Daarvoor is het volgende redengevend.
Gebleken is dat de vrouw ten tijde van de geboorte van [minderjarige 1] onder curatele stond en op dat moment onbevoegd was tot het gezag over [minderjarige 1] . Bij beschikking van 4 maart 2013 heeft de rechtbank de man belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] . De man en de vrouw woonden in die periode samen en namen feitelijk gezamenlijk de beslissingen over [minderjarige 1] .
Naar aanleiding van een zorgmelding bij Veilig Thuis over de man in verband met huiselijk geweld en een zedenmisdrijf met betrekking tot de andere dochter van de vrouw, [minderjarige 2] , is de relatie van partijen in mei 2024 verbroken. De man heeft de echtelijke woning vervolgens verlaten en [minderjarige 1] is bij de vrouw blijven wonen. De man heeft sindsdien geen contact meer met [minderjarige 1] . De man is inmiddels strafrechtelijk veroordeeld en verblijft sinds augustus 2024 in hechtenis. Op 18 april 2026 heeft de man zijn straf uitgezeten en komt hij vrij.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de beide zittingen is besproken, is gebleken dat de verstandhouding tussen partijen – ondanks hetgeen zich tussen partijen en tussen de man en de andere dochter van de vrouw, [minderjarige 2] , heeft voorgedaan – goed is. Partijen hebben zeer regelmatig telefonisch contact over [minderjarige 1] en nemen zoveel als mogelijk samen de belangrijke beslissingen over [minderjarige 1] . Partijen willen deze situatie graag blijven voortzetten en samen het gezag over [minderjarige 1] uitoefenen. Tegen voornoemde achtergrond en nu [minderjarige 1] bij de vrouw woont en de vrouw (na overleg met de man) feitelijk ook alle gezagsbeslissingen al over [minderjarige 1] neemt, is het begrijpelijk dat de vrouw (ook) met het gezag over [minderjarige 1] wil worden belast. De rechtbank is gezien de feitelijke situatie van oordeel dat het niet langer in het belang van [minderjarige 1] is om het eenhoofdig gezag van de man over [minderjarige 1] te handhaven, maar dat het in het belang van [minderjarige 1] is dat in ieder geval de vrouw, naast de man, ook het gezag over [minderjarige 1] heeft. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat er vanuit Veilig thuis geen zorgen zijn gezien over de situatie van [minderjarige 1] bij de vrouw thuis en dat de Raad heeft geadviseerd het verzoek van de vrouw, zonder nader onderzoek, toe te wijzen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom (op grond van het bepaalde in artikel 1:253o BW) toewijzen, zodat partijen voortaan gezamenlijk met het gezag over [minderjarige 1] zullen zijn belast.
De rechtbank wil daarbij nog benadrukken dat het gezag los staat van eventueel contact tussen de man en [minderjarige 1] . Gebleken is dat [minderjarige 1] op dit moment geen contact met haar vader wil. Dit wordt gerespecteerd door beide ouders. Zij laten de wensen en behoeften van [minderjarige 1] daarin leidend zijn en erkennen dat dit voor de toekomst een aandachtspunt voor de hulpverlening is.
4.9.
Nu het verzoek van de vrouw tot gezamenlijk gezag wordt toegewezen, komt de rechtbank niet meer toe aan het voorwaardelijke verzoek van de man. Dit verzoek zal dan ook worden afgewezen.
Hoofdverblijf;
4.10.
Het verzoek van de vrouw om te bepalen dat [minderjarige 1] haar hoofdverblijf bij de vrouw heeft komt de rechtbank in het licht van al het vorenstaande niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal, mede gelet op de instemming van de man, op onderstaande wijze worden toegewezen.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijzigt de beschikking van de rechtbank van 4 maart 2013 en bepaalt dat partijen voortaan gezamenlijk het gezag uitoefenen over de minderjarige [minderjarige 1]
,geboren op [geboortedag] 2012 te [geboorteplaats] ;
5.2.
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van voornoemde beslissing in het centraal gezagsregister;
5.3.
bepaalt het hoofdverblijf van genoemde minderjarige bij de vrouw;
5.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026 in tegenwoordigheid van mr. Lavrijssen, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.