Eiser heeft beroep ingesteld tegen het UWV omdat het niet tijdig heeft beslist op zijn bezwaar tegen de afwijzing van een WIA-uitkering. De rechtbank constateert dat het UWV de beslistermijn heeft overschreden en dat eiser het UWV op 2 oktober 2025 in gebreke heeft gesteld.
De rechtbank bepaalt dat het UWV alsnog binnen een redelijke termijn moet beslissen. Gezien de noodzaak van zorgvuldige besluitvorming en de onmogelijkheid om eerder een spreekuur met een verzekeringsarts in te plannen, stelt de rechtbank een termijn van vier maanden na verzending van de uitspraak vast. Daarnaast legt zij een dwangsom op van €100 per dag bij verdere overschrijding, met een maximum van €15.000.
Verder veroordeelt de rechtbank het UWV tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser. De rechtbank wijst het beroep toe zonder zitting, omdat het kennelijk gegrond is. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot verzet binnen zes weken.