ECLI:NL:RBZWB:2026:2919

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
C/02/443183 FA RK 25/6542
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Baggel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige omgangsregeling en zorgafspraken tussen ouders na beëindiging relatie

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 11 maart 2026 een verzoek tot voorlopige voorziening inzake een omgangsregeling tussen een vader en zijn minderjarige zoon na het beëindigen van de relatie met de moeder. De vader verzocht om een voorlopige zorgregeling conform een opbouwschema, terwijl de moeder een begeleide opbouwende omgangsregeling onder professionele begeleiding bepleitte vanwege een verstoorde verstandhouding.

Tijdens de mondelinge behandeling bereikten partijen een overeenstemming over de zorg- en opvoedingstaken en de toedeling van de voormalige echtelijke woning. Zij spraken af onder begeleiding van een mediator te werken aan contactherstel en het opstellen van een ouderschapsplan. De vader zal wekelijks de training van de minderjarige bijwonen en om het weekend naar wedstrijden komen kijken, waarbij de kosten van de mediator gelijk worden verdeeld.

De rechtbank nam deze afspraken over en wees het meer of anders verzochte af. Tevens werd de toedeling van de woning aan de moeder geregeld, inclusief afspraken over de hypotheek en financiële vergoedingen. De beschikking is gegeven door kinderrechter Baggel en in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank stelt een voorlopige omgangsregeling vast onder begeleiding van een mediator en wijst het overige verzoek af.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/443183 FA RK 25/6542
datum uitspraak: 11 maart 2026
beschikking betreffende provisionele voorziening ex artikel 223 Rv Pro
in de zaak van
[de man],
hierna: de man,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. F.C.M. Maat-Oldenhof in ’s-Heer Arendskerke,
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. M.C.F.Y. de Vleesschauwer in Breda,
over de minderjarige:
-
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2017, hierna: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1. Het procesverloop
1.1. In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 17 december 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het op 25 februari 2026 ontvangen verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen;
- het op 2 maart 2026 ontvangen bericht van mr. Maat-Oldenhof;
- het op 2 maart 2026 ontvangen F9 formulier met bijlagen van mr. De Vleesschauwer.
1.2. Bij verzoekschrift ontvangen op 17 december 2025 is de hoofdzaak aanhangig gemaakt, welke procedure bij de rechtbank geregistreerd staat onder kenmerk C/02/443180 FA RK 25-6540. In de hoofdzaak ligt een verzoek tot gezag en omgang ter beoordeling voor.
1.3. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 2 maart 2026. Bij die gelegenheid is verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. De man en zijn advocaat hebben aangegeven dat zij niet ter zitting zullen verschijnen.
1.4. Op de mondelinge behandeling is tevens aanwezig geweest een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, om de rechtbank over het verzoek betreffende [minderjarige] te adviseren.
1.5. [minderjarige] heeft de mogelijkheid gekregen om te zeggen wat hij van het verzoek vindt, maar hij heeft daar geen gebruik van gemaakt.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren.
2.2.
[minderjarige] verblijft bij de vrouw.
2.3.
De man heeft [minderjarige] erkend. De vrouw heeft van rechtswege alleen het gezag over [minderjarige] .

3.Het verzoek

3.1.
De man verzoekt bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak, een voorlopige zorgregeling vast te stellen zoals verwoord in het opbouwschema in punt 5 van zijn verzoekschrift, althans een andere zorgregeling vast te stellen die de rechtbank in het belang van [minderjarige] acht.
3.2.
De man stelt ter onderbouwing van zijn verzoek het volgende. Partijen zijn medio 2025 uit elkaar gegaan. De man is vanaf die tijd afhankelijk van de goede wil van de vrouw om [minderjarige] te kunnen zien. De vrouw is volgens de man niet bereid om tot structurele afspraken te komen. De man wil graag dat er duidelijke afspraken worden gemaakt over de zorgregeling. De man streeft ernaar om te komen tot een regeling van co-ouderschap, maar hij beseft dat er hiervoor het nodige moet gebeuren. Hij heeft een opbouwschema voorgesteld, zodat de vrouw kan wennen aan het contact tussen [minderjarige] en zijn vader.
3.3.
De vrouw is het niet eens met het verzoek van de man en verzoekt dit verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, althans af te wijzen. Zij verzoekt, samengevat, bij wege van zelfstandig verzoek:
- partijen te verwijzen naar het Uniform Hulp Aanbod, met als doel te onderzoeken of contact c.q. omgang tussen de man en [minderjarige] in het belang van [minderjarige] is, en zo ja in welke vorm, frequentie en duur;
- indien de man hiervoor niet open staat de Raad te verzoeken onderzoek te doen ter beantwoording van hetgeen benoemd in punt 32 van haar verweerschrift;
- een, onder begeleiding van een professionele instantie, voorlopige opbouwende
omgangsregeling vast te stellen, althans een zodanige begeleide voorlopige
opbouwende omgangsregeling vast te stellen als de rechter juist en redelijk en in het
belang van [minderjarige] acht.
3.4.
De vrouw licht haar verweer en zelfstandige verzoeken als volgt toe. Tussen partijen is sprake van een zeer belaste voorgeschiedenis. Een opbouwende regeling is op dit moment in strijd met de belangen van [minderjarige] . Er is sprake van een verstoorde verstandhouding tussen ouders en dit staat een onbelast contact tussen de man en [minderjarige] in de weg. De vrouw verzoekt partijen te verwijzen naar hulpverlening in het kader van het Uniform Hulp Aanbod om te onderzoeken of, en zo ja welke vorm van contact tot de mogelijkheden behoort. Indien de man daar niet voor open staat, verzoekt de vrouw te bepalen dat in het kader van de bodemprocedure een onderzoek door de Raad wordt gelast. Indien de rechtbank de vrouw (ook) daarin niet volgt, verzoekt zij in voorlopige zin een begeleide, opbouwende regeling vast te stellen.

4.De beoordeling

Ontvankelijkheid
4.1.
Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv Pro kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering.
4.2.
In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv Pro worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank hangt het onderhavige verzoek tot het vastleggen van een voorlopige omgangsregeling samen met het verzoek in de hoofdzaak, zodat de man kan worden ontvangen in zijn verzoek. Hetzelfde geldt voor het zelfstandig verzoek van de vrouw.
Inhoudelijke beoordeling
4.4.
In brieven van 2 maart 2026 is namens partijen bericht dat zij alsnog, zeer kort voor de zitting, overeenstemming hebben bereikt in het kader van de voorlopige voorzieningenprocedure.
4.5.
Namens de man is in de brief van 2 maart 2026 samengevat het volgende aangegeven. Partijen hebben afgesproken dat zij onder begeleiding van hulpverlening de zorgregeling tussen de man en [minderjarige] zullen vormgeven. Zij zullen deze hulpverlening in onderling overleg trachten te regelen, waarbij zij desalniettemin nu al een verwijzing naar het UHA verzoeken. Mocht de hulpverlening niet slagen, dan willen partijen namelijk vast hun plek op de wachtlijst veiligstellen. Namens de man geeft zijn advocaat tevens aan dat partijen, gelet op de overeenstemming, niet ter zitting zullen verschijnen
4.6.
Namens de vrouw is aangevoerd dat partijen overeenstemming hebben bereikt zoals opgenomen in een brief van haar advocaat aan de advocaat van de man van 2 maart 2026 met bijlagen. In genoemde brief is overeenstemming met betrekking tot “Zorg- en opvoedingstaken” en met betrekking tot “Toedeling voormalige echtelijke woning” opgenomen.
Ter toelichting op de overeenstemming met betrekking de zorg- en opvoedingstaken heeft de vrouw ter zitting naar voren gebracht dat partijen met behulp van mevrouw [persoon] willen werken aan contactherstel, opbouw van contact en een ouderschapsplan. De man zal wekelijks bij de training van [minderjarige] komen kijken en om de week bij een wedstrijd. Uitbreiding volgt dan, aldus de vrouw, onder begeleiding van mevrouw [persoon] . Partijen delen de kosten. De andersluidende verzoeken worden ingetrokken en partijen verzoeken de overeenstemming op te nemen in de beschikking. Uit het e-mailbericht van de advocaat van de man van 2 maart 2026 blijkt van zijn instemming daarmee, aldus de vrouw.
4.7.
De rechtbank constateert dat de door de man geformuleerde overeenstemming anders luidt dan de overeenstemming zoals geformuleerd door de vrouw. Nu echter de man niet ter zitting is verschenen en door en namens de vrouw (onweersproken) is toegelicht, ook aan de hand van voormeld e-mailbericht van de advocaat van de man, dat partijen overeenstemming hebben bereikt als door haar omschreven onder “Zorg- en opvoedingstaken, gaat de rechtbank daarvan uit.
4.8.
De overeenstemming luidt als volgt: “
Partijen zijn gisterenavond, tijdens een uur durend telefoongesprek, in onderling overleg overeengekomen het contact tussen uw cliënt en de minderjarige zoon van partijen, genaamd [minderjarige] , te herstellen en onder begeleiding van mevrouw [persoon] , jaren werkzaam geweest bij de Raad voor de Kinderbescherming en tevens mediator, verder uit te breiden. In de opstartfase zal [persoon] de tussen partijen overeengekomen contactmomenten tussen begeleiden en [minderjarige] , waarbij uw cliënt [minderjarige] wekelijks naar de training brengt en om het weekend naar de wedstrijden van [minderjarige] komt kijken, evalueren en in het kader van de uitbreiding voornoemd (hierover) het gesprek aangaan. Tevens zal [persoon] partijen verder ondersteunen bij het opstellen van een ouderschapsplan.
Het is daarbij eveneens de bedoeling dat [persoon] partijen tevens zal
ondersteunen bij het opstellen van een ouderschapsplan, waarin de tussen partijen
overeengekomen afspraken over de [minderjarige] , onder meer over de omgang c.q. de contactregeling worden vastgelegd. De kosten van [persoon] (van circa EUR 50,--, per keer, kan inmiddels iets meer zijn), worden bij helfte gedragen.
Voornoemde afspraken gelden basisuitspraken het is partijen en aan [persoon]
om, als gezegd, in het kader van de uitbreiding (hierover) het gesprek aan te gaan, met als doel het opstellen van een vergelijkbaar ouderschapsplan, zoals geldt ten aanzien van de dochter van cliënte, uit haar andere relatie.
4.9.
De vrouw verzoekt onder intrekking van de andersluidende verzoeken dat de zaak schriftelijk wordt afgedaan middels vastlegging van deze overeenstemming in de beschikking. Uit al het voorgaande (o.a. het e-mailbericht van de advocaat van de man aan de advocaat van de vrouw van 2 maart 2026 en het feit dat de man, met bericht, niet ter zitting is verschenen) begrijpt de rechtbank dat de man thans hetzelfde verzoekt. De tussen partijen bereikte overeenstemming komt de rechtbank niet ongegrond voor en zal op onderstaande wijze worden toegewezen, nu ook niet is gebleken dat het belang van de minderjarige zich hiertegen verzet.
4.10.
Uit voormelde brief van de advocaat van de vrouw blijkt verder dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de toedeling van de echtelijke woning. Op verzoek van de vrouw en zoals ter zitting besproken wordt deze overeenstemming hierna weergegeven. De overeenstemming luidt als volgt: “
Partijen zijn overeengekomen dat de (voormalige) echtelijke woning, staande en gelegen te ( [postcode] ) [woonplaats 2] aan het adres [adres] voor de, in onderling overleg, overeengekomen waarde van EUR 330.000,-- aan de vrouw wordt toebedeeld.
Op de (voormalige) echtelijke woning rust een hypothecaire geldlening, afgesloten bij de ING Bank. De restanthoofdsom van de annuïtaire hypothecaire geldlening, afgesloten bij de ING Bank, met de leningdelen 1.0 en 1.1., bedraagt per 2 maart 2026 (in totaal) EUR 321.560,81 (vgl. bijlage 1). Daarnaast is er nog een bouwdepot van EUR 622,41 (vgl. bijlage 1).
Toedeling van de (voormalige) echtelijke woning aan cliënte geschiedt onder de opschortende voorwaarde dat de ING Bank uw cliënt ontslaat uit zijn hoofdelijke verplichtingen met betrekking tot de hypothecaire geldlening afgesloten bij de ING Bank.
De kosten van de notariële akte van verdeling en ontslag hoofdelijke verbondenheid neemt de vrouw voor haar rekening.
Partijen zijn overeengekomen dat de vrouw, ten gevolge van de toedeling van (voormalige)
echtelijke woning aan haar, aan uw cliënt een bedrag van EUR 3.975,66,-- dient te voldoen.
Echter gelet op de inleg van de vrouw van EUR 7.652,05, is er sprake van een vergoedingsrecht, waardoor de man aan de vrouw een bedrag van EUR 3.676,39 zou moeten voldoen. Dit bedrag wenst de vrouw echter kwijt te schelden, bij een overeenstemming over de zorg- en opvoedtaken en de verdeling van de (voormalige) echtelijke woning. Dit is tussen partijen besproken en door de man akkoord bevonden.
Het gebruiksrecht van de (voormalige) echtelijke woning komt, met ingang van heden tot
datum overdracht van de (voormalige) echtelijke woning, aan de vrouw toe. De woon- c.q.
eigenaarslasten van de (voormalige) echtelijke woning worden, tot datum overdracht van de
(voormalige) echtelijke woning aan de vrouw, door de vrouw voldaan.
Indien de vrouw er niet in slaagt de (voormalige) echtelijke woning binnen 3 maanden na datum ondertekening van de, door ondergetekende op te stellen vaststellingsovereenkomst, over kan nemen, zal deze in de markt verkocht worden. Partijen zullen alsdan in overleg dienen te gaan over de aan te wijzen makelaar en de verkoopprijs.”
4.11.
Al het voorgaande betekent dat als na te melden zal worden beslist.

5.De beslissing

De rechtbank
bepaalt bij wege van provisionele voorziening, totdat in de hoofdzaak definitief is beslist,
dat de man [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wekelijks naar de training zal brengen en om het weekend naar de wedstrijd van [minderjarige] zal komen kijken en dat partijen zullen werken aan contactherstel en opbouw van contact tussen de man en [minderjarige] en aan een ouderschapsplan, een en ander conform de afspraken zoals weergegeven onder r.o. 4.8. hiervoor;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Baggel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026 in aanwezigheid van Rozendaal, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.