Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2922

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
C/02/444359 / FA RK 26-411
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Hopmans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvArt. 810 RvArt. 1:12 BWArt. 1:253a BWArt. 3:300 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening toewijzing hoofdverblijf en zorgregeling minderjarige kinderen na echtscheiding

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 12 maart 2026 een verzoek tot voorlopige voorziening in een familierechtelijke zaak tussen een man en een vrouw, ex-partners met drie minderjarige kinderen. De man verzocht onder meer om opschorting van het ouderschapsplan, toewijzing van de kinderen aan hem, opschorting van kinderalimentatie en wijziging van de inschrijving van de kinderen bij de gemeente en Sociale Verzekeringsbank. De vrouw verzocht afwijzing van deze verzoeken en stelde een gefaseerde omgang onder professionele begeleiding voor.

De rechtbank constateerde dat de kinderen sinds mei 2025 feitelijk bij de man verblijven en dat de communicatie tussen ouders ernstig verstoord is. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde het huidige verblijf bij de man te handhaven en een onderzoek te verrichten voor de bodemprocedure. De rechtbank besloot de kinderen voorlopig aan de man toe te vertrouwen, de inschrijving bij de gemeente op zijn adres te wijzigen, en de kinderalimentatie op te schorten vanaf juni 2025.

Daarnaast werd een zorg- en contactregeling vastgesteld waarbij de vrouw tweewekelijks schriftelijk wordt geïnformeerd over de kinderen en eenmaal per maand een foto ontvangt. De rechtbank verleende vervangende toestemming voor het psychologisch traject van een van de kinderen indien de vrouw niet binnen zeven dagen toestemming geeft. De verzoeken tot opschorting van het ouderschapsplan en registratie bij de Sociale Verzekeringsbank werden afgewezen. De rechtbank verzocht de Raad een onderzoek te doen voor de bodemprocedure.

Uitkomst: De minderjarige kinderen worden voorlopig aan de vader toevertrouwd, de inschrijving bij de gemeente wordt gewijzigd, kinderalimentatie opgeschort en een zorg- en contactregeling vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/444359 / FA RK 26-411
datum uitspraak: 12 maart 2026
beschikking betreffende provisionele voorziening ex artikel 223 Rv Pro
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat: mr. W.J. Jurgers te Bergen op Zoom,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat: mr. S. Klootwijk te Breda.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechter over de verzoeken te adviseren.
1. Het procesverloop
1.1 De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 22 januari 2026 ingekomen verzoekschrift hoofdverblijf, zorgregeling en kinderalimentatie, tevens verzoek tot het treffen van provisionele voorzieningen ex artikel 223 Rv Pro, met bijlagen;
- het F-formulier d.d. 18 februari 2026 van mr. Jurgers, met aanvullende producties;
- de brief d.d. 25 februari 2026 van mr. Jurgers, met aanvullende producties;
- het op 25 februari 2026 ingekomen verweerschrift inzake verzoek om wijziging hoofdverblijf, zorgregeling en kinderalimentatie, tevens verweer tegen verzoek provisionele voorzieningen, tevens houdende zelfstandige verzoek, met bijlagen;
- de brief d.d. 26 februari 2026 van mr. Jurgers tevens houdend aanvullend verzoek, met aanvullende producties;
- de brief d.d. 2 maart 2026 van mr. Jurgers, met aanvullende productie;
- de brief d.d. 2 maart 2026 van mr. Jurgers, met aanvullende productie;
- de tijdens de mondelinge behandeling van 3 maart 2026 door mr. Jurgers overgelegde pleitnotities.
1.2 Bij voormeld verzoekschrift is (ook) de hoofdzaak aanhangig gemaakt, welke procedure bij de rechtbank geregistreerd staat onder kenmerk is C/02/444361 / FA RK 26-413.
1.3 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 3 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Verder was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad.
1.4 Na te noemen minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken en hebben van die mogelijkheid gebruik gemaakt op 26 februari 2026 tijdens een zogenoemd kindgesprek.

2.De feiten

2.1
Partijen, Nederlanders, zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van 1 september 2020 is in het huwelijk van partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 2 oktober 2020 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
2.2
Uit het huwelijk van partijen zijn de navolgende thans nog minderjarige kinderen geboren:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2011;
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2013;
- [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2016.
2.3
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
2.4
In voornoemde echtscheidingsbeschikking d.d. 1 september 2020 en het daarvan deel uitmakende echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan is - voor zover hier van belang - bepaald dat de minderjarigen hun hoofdverblijf hebben bij de vrouw en zijn partijen een zorgregeling overeengekomen waarbij de kinderen om het weekend van zaterdagochtend tot zondagavond bij de man verblijven, alsmede een doordeweekse dag afhankelijk van het werkrooster van de man. Verder is bepaald dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen dient te voldoen van € 131,= per kind per maand. Daarnaast dient de man met ingang van 1 september 2020 maandelijks op de kinderrekening een bedrag van € 32,50 te voldoen en de vrouw met ingang van 1 september 2020 maandelijks een bedrag van € 17,50 te voldoen op de kinderrekening.
2.5
De minderjarige verblijven sinds eind mei 2025 bij de man.

3.De verzoeken

3.1
De man verzoekt bij wijze van voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv Pro voor de duur van het geding:
I. dat de werking van het op 3 augustus 2020 overeengekomen ouderschapsplan wordt
opgeschort;
II. dat de hiervoor genoemde kinderen van partijen voorlopig aan de man worden
toevertrouwd;
III. dat de verplichting van de man tot het betalen van kinderalimentatie met ingang van juni
2025 wordt opgeheven, althans opgeschort;
IV. dat de kinderen voorlopig op het adres van de man ingeschreven zullen staan;
V. dat de man tijdens de lopende procedure bij de Sociale Verzekeringsbank als aanvrager
en gerechtigde voor de kinderbijslag wordt geregistreerd, zodat hij jegens de SVB
aanspraak kan maken op de kinderbijslag en jegens de belastingdienst op het
kindgebonden budget;
VI. dat, voorzover de medewerking van de vrouw is vereist voor het bepaalde sub IV en V, de ten deze af te geven beschikking ex artikel 3:300 BW Pro in de plaats treedt van de
onderbrekende wilsverklaring van de vrouw;
VII. dat partijen worden doorverwezen naar het Uniform Hulpaanbod, althans een zodanige
voorziening te treffen dat onder professionele begeleiding kan worden gewerkt aan
contactherstel tussen de vrouw en de kinderen.
Bij wijze van aanvullend verzoek ex artikel 223 Rv Pro verzoekt de man de rechtbank vervangende toestemming te willen verlenen voor het traject voor [minderjarige 1] bij de psycholoog die via school is ingeschakeld.
3.2
De vrouw voert verweer en verzoekt om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de provisionele verzoeken van de man niet-ontvankelijk worden verklaard, dan wel worden afgewezen. Bij wijze van zelfstandig verzoek verzoekt de vrouw om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat:
- er een (voorlopige) zorg- en contactregeling wordt vastgesteld waarbij de vrouw één dagdeel per week, op zaterdag of zondag van 10:00 tot 18:00 uur omgang heeft met de kinderen, welke stapsgewijs onder begeleiding van professionele hulp zal worden uitgebreid, met daarbij de insteek dat er wordt teruggewerkt naar een verblijf van de kinderen bij de vrouw, dan wel een zorg- en contactregeling vast te stellen in goede justitie te bepalen, alsmede;
- dat partijen zullen worden doorverwezen naar het Uniform Hulpaanbod, althans een zodanige voorziening te treffen dat onder professionele begeleiding kan worden gewerkt aan uitbreiding van de bij deze beschikking (voorlopig) bepaalde omgang alsmede;
- een informatieregeling vast te stellen, waarbij de man zal worden verplicht om de vrouw per e-mail, wekelijks te informeren over belangrijke aangelegenheden in het leven van de kinderen, waaronder doch niet uitsluitend gezondheid en ontwikkeling, schoolprestaties en sporten met het (maandelijks) toezenden van een recente foto, één en ander kosten rechtens.
3.3
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover voor de beoordeling van de verzoeken van belang, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

Ontvankelijkheid
4.1
In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv Pro worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
4.2
Naar het oordeel van de rechtbank hangen de verzoeken van partijen, samen met de verzoeken in de hoofdzaak, zodat de partijen kunnen worden ontvangen in hun verzoeken.
4.3
De rechtbank stelt voorop dat voor toewijzing van een verzoek in het kader van artikel 223 Rv Pro slechts plaats is, indien er naar het oordeel van de rechtbank voldoende (dringend) belang bestaat in die zin dat van partijen niet gevergd kan worden dat zij de afloop van de hoofdzaak afwachten. Daarnaast dient de rechtbank de belangen van partijen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.
4.4
Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de stellingen van partijen, sprake van voldoende belang in die zin dat van partijen niet kan worden gevergd dat zij de afloop van de hoofdzaak afwachten.
Standpunten
4.5
De man heeft aan zijn verzoeken, kort samengevat en voor zover relevant, het volgende ten grondslag gelegd. Hij stelt dat de kinderen na alle gebeurtenissen en wisselingen van verblijf tussen beide ouders toe zijn aan rust en duidelijkheid. Er is sprake van een patroon waarbij de vrouw periodes waarin het wat beter met haar gaat afwisselt met lange periodes waarin het niet goed gaat en de man de zorg voor de kinderen op zich heeft moeten nemen omdat de vrouw dit niet kon. De man stelt dat de huidige feitelijke situatie dient te worden geformaliseerd. Om die reden verzoekt hij de toevertrouwing van de kinderen en te bepalen dat kinderen op zijn adres ingeschreven zullen staan. Omdat hij alle kosten voor de minderjarige draagt verzoekt hij te bepalen dat de verplichting tot het betalen van kinderalimentatie met ingang van juni 2025 wordt opgeheven, althans opgeschort en daarnaast dat hij als aanvrager en gerechtigde voor de kinderbijslag wordt geregistreerd.
4.6
De vrouw stelt dat zij inmiddels geruime tijd stabiel is en dat zij hierin zelf actief stappen heeft gezet. De vrouw is van mening dat de man haar (voormalige) ziektebeeld aanwendt om de kinderen bij zich te houden. Volgens de vrouw is er op dit moment in het geheel geen sprake van een onveilige situatie voor de kinderen bij haar. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man de kinderen sinds mei 2025 ten onrechte bij haar weghoudt. Een dergelijke langdurige onderbreking van het contact draagt niet bij aan duurzaam contactherstel. De vrouw is bereid haar volledige medewerking te verlenen aan een gefaseerde opbouw van het contact, onder begeleiding van professionele hulpverlening, nu zowel zij als de kinderen opnieuw vertrouwen in elkaar dienen op te bouwen. De vrouw kan zich er echter niet in vinden dat de kinderen in de tussentijd volledig aan de man worden toevertrouwd. Zij wenst dat de omgang op korte termijn wordt hervat en dat wordt toegewerkt naar structureel en bestendig contactherstel. Daarnaast spreekt zij de wens uit dat de kinderen in de toekomst hun hoofdverblijf weer bij haar zullen hebben. De vrouw verzoekt de rechtbank dan ook, bij zelfstandig verzoek, een (voorlopige) zorg- en contactregeling vast te stellen waarbij zij één dagdeel per week, op zaterdag of zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur, omgang heeft met de kinderen. Verder verzoekt de vrouw een wekelijkse informatieverplichting vast te stellen, waarbij de man haar informeert over belangrijke aangelegenheden in het leven van de kinderen.
4.7
De Raad heeft tijdens de zitting het volgende aangevoerd. De Raad adviseert de huidige situatie waarbij de kinderen bij de man verblijven op dit moment niet te wijzigen. De Raad adviseert verder om ten behoeve van de bodemzaak een onderzoek te verrichten naar het hoofdverblijf en de zorgregeling. Verder dient de hulpverlening voor de minderjarige [minderjarige 1] zo snel mogelijk te worden opgestart. Alle minderjarigen hebben verklaard dat zij hun moeder graag willen zien. De Raad acht herstel van het contact ook in het belang van de minderjarigen. De Raad adviseert daarbij wel dat er bij de opstart van de contacten een onafhankelijke derde aanwezig is om de contacten te begeleiden. De Raad adviseert verder een tweewekelijkse informatieregeling te bepalen, en verder om partijen niet te verwijzen naar het Uniform Hulpaanbod.
4.8
De rechtbank overweegt als volgt.
Vervangende toestemming behandeling psycholoog;
4.9
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
4.1
Ter zitting heeft de vrouw alsnog haar toestemming verleend voor het traject voor de minderjarige [minderjarige 1] bij de psycholoog die via school is ingeschakeld. Partijen hebben afgesproken zo spoedig mogelijk contact op te nemen met school om (alsnog) toestemming te verlenen voor dit traject. De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw zich aan deze toezegging zal houden. Voor zover de vrouw -onverhoopt- deze toestemming niet alsnog binnen zeven dagen na datum van deze beschikking heeft gegeven, verleent de rechtbank de man vervangende toestemming om dit traject mede namens de vrouw in gang te zetten. Daartoe overweegt de rechtbank dat niet in geschil is dat het inschakelen van een psycholoog in het belang van [minderjarige 1] is en [minderjarige 1] tijdens het gesprek met rechtbank bij herhaling heeft opgemerkt hieraan ook behoefte te hebben.
Raadsonderzoek / verwijzing Uniform Hulpaanbod;
4.11
De rechtbank stelt vast dat de communicatie tussen ouders ernstig is verstoord en dat er tussen ouders een groot gebrek is aan onderling vertrouwen. Het vrijwillige hulpverleningstraject komt niet van de grond en de zorgen nemen toe. De huidige situatie is dat de minderjarigen sinds eind mei vorig jaar bij de man verblijven en er slechts sporadisch contact is tussen de vrouw en de minderjarigen. De minderjarigen hebben desgevraagd verklaard dat zij wel graag contact met hun moeder willen hebben. De vrouw wenst dat een (voorlopige) zorgregeling wordt vastgesteld tussen haar en de minderjarigen, welke stapsgewijs onder begeleiding van professionele hulp zal worden uitgebreid, met daarbij de insteek dat er wordt teruggewerkt naar een verblijf van de kinderen bij de vrouw. De rechtbank is gelet op de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling - zoals ook met partijen besproken - van oordeel dat een onderzoek door de Raad ten behoeve van de bodemprocedure tussen partijen naar het hoofdverblijf en de zorgregeling met betrekking tot de minderjarigen is geïndiceerd. Dit leidt ertoe dat de rechtbank de Raad, locatie Middelburg, daarom zal verzoeken om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Welke hoofdverblijfplaats komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ?
- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ?
- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vraag aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
4.12
Aan de Raad wordt verzocht om het raadsrapport in te brengen in de bodemprocedure (in de zaak met kenmerk C/02/444361 / FA RK 26-413). De advocaten van partijen wordt verzocht in de bodemprocedure melding te maken van het thans te starten raadsonderzoek.
4.13
Zoals ter zitting met partijen besproken zal de rechtbank overeenkomstig het advies van de Raad partijen niet verwijzen naar het Uniform Hulpaanbod. Gelet op het hiervoor overwogen gebrek aan communicatie, het grote onderlinge wantrouwen, en de omstandigheid dat eerdere vrijwillige hulpverlening niet van de grond is gekomen, heeft de rechtbank met de Raad onvoldoende vertrouwen dat dit iets gaat opleveren. De verzoeken van partijen wijst de rechtbank af.
Voorlopige zorgregeling;
4.14
Partijen zijn het erover eens dat het contact tussen de vrouw en de minderjarigen spoedig dient te worden hervat. Ook de minderjarigen hebben in het gesprek met de rechtbank allen opgemerkt weer -voorzichtig- contact te willen hebben met hun moeder. In geschil is of dit contact begeleid moet zijn. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat - gelet op de omstandigheid dat er gedurende een lange periode geen contacten hebben plaatsgevonden - er bij de opstart van het contact iemand aanwezig moet zijn om het contact te begeleiden. Partijen zijn overeengekomen dat zij contact zullen opnemen met de Jeugdprofessional van de gemeente Bergen op Zoom – die eerder betrokken was bij het gezin – met het verzoek om hulpverlening bij het herstel van het contact tussen de vrouw en de minderjarigen. De vertegenwoordigster van de Raad heeft ter zitting toegezegd dat zij eerst contact zal opnemen met de Jeugdprofessional en dit vervolgens aan partijen zal terugkoppelen. De rechtbank gaat ervan uit dat onder regie van de Jeugdprofessional het contact tussen de minderjarigen en de vrouw kan worden hersteld en -indien mogelijk- wordt uitgebouwd. De rechtbank zal dit op onderstaande wijze bepalen.
Toevertrouwing;
4.15
De rechtbank overweegt dat het hoofdverblijf van de minderjarigen formeel bij de vrouw is gelegen. De minderjarigen verblijven evenwel al geruime tijd, vanaf mei 2025, onafgebroken bij de man en hierin zal voorlopig ook geen verandering komen. Partijen zijn het erover eens dat de kinderen voorlopig niet terug kunnen naar de vrouw. Gelet hierop acht de rechtbank het, met de Raad, in het belang van minderjarigen om hen voorlopig, voor de duur van de onderhavige procedure, aan de man toe te vertrouwen. Daarmee wordt de juridische situatie in overeenstemming gebracht met de feitelijke situatie. De rechtbank zal het verzoek van de man daarom op onderstaande wijze toewijzen.
Inschrijving bij de gemeente en Sociale Verzekeringsbank (SVB)
4.16
In hetgeen de rechtbank hiervoor bij de toevertrouwing heeft overwogen, ziet de rechtbank tevens aanleiding om de inschrijving van de kinderen bij de vrouw voorlopig te wijzigen naar een inschrijving bij de man. Uitgangspunt is dat een kind staat ingeschreven op de plaats waar het feitelijk het meest verblijft. Dat is ook in overeenstemming met artikel 1:12 BW Pro en artikel 1.1, aanhef onder o. van de Wet basisregistratie personen. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de minderjarigen in de BRP, voorlopig, moeten worden ingeschreven op het woonadres van de man. Voor zover hiervoor, zoals de man stelt en de vrouw niet heeft bestreden, de medewerking (rechtshandeling) van de vrouw is vereist, zal de rechtbank bepalen dat op de voet van artikel 3:300 BW Pro deze beschikking dezelfde kracht heeft als de vereiste medewerking en handtekening voor het verstrekken van de toestemming/opdracht om de inschrijving te wijzigen.
De man verzoekt verder te bepalen dat hij tijdens de lopende procedure bij de Sociale Verzekeringsbank als aanvrager en gerechtigde voor de kinderbijslag wordt geregistreerd, zodat hij jegens de SVB aanspraak kan maken op de kinderbijslag en jegens de belastingdienst op het kindgebonden budget. Daargelaten of de rechtbank kan bepalen dat de man als aanvrager en gerechtigde voor de kinderkinderslag en het kindgebonden budget kan worden geregistreerd, is de rechtbank van oordeel dat de man zelfstandig contact kan opnemen met de Sociale Verzekeringsbank en de belastingdienst om hierover afspraken te maken. Dat en waarom de man dit in de onderhavige situatie niet zou kunnen, is onvoldoende door hem onderbouwd. De daartoe strekkende verzoeken van de man zullen daarom worden afgewezen.
Opschorten kinderalimentatie;
4.17
De man heeft verzocht te bepalen dat zijn verplichting tot het betalen van kinderalimentatie met ingang van juni 2025 wordt opgeheven, althans opgeschort.
4.18
De vrouw voert daartegen verweer.
4.19
De rechtbank stelt vast dat de minderjarigen sinds eind mei 2025 bij de man verblijven en dat niet in geschil is dat de man alle kosten van de minderjarigen voor zijn rekening neemt. Gesteld noch gebleken is dat de vrouw sinds eind mei 2025 nog kosten heeft voor de minderjarigen. Onder deze omstandigheden zal de rechtbank bepalen dat de verplichting van de man tot het betalen van kinderalimentatie met ingang van juni 2025 wordt opgeschort.
Informatieregeling;
4.2
De vrouw heeft verzocht een informatieregeling te bepalen waarbij de man zal worden verplicht om de vrouw per e-mail, wekelijks te informeren over belangrijke aangelegenheden in het leven van de kinderen, waaronder doch niet uitsluitend gezondheid en ontwikkeling, schoolprestaties en sporten met het (maandelijks) toezenden van een recente foto
4.21
De rechtbank vindt het in het belang van minderjarigen dat zolang er geen frequent structureel contact plaatsvindt tussen de vrouw en de minderjarigen, de vrouw wordt geïnformeerd door de man over belangrijke aangelegenheden in het leven van de minderjarigen. De minderjarigen hebben in het gesprek met de rechtbank opgemerkt hiertegen geen bezwaren te hebben. De man vindt de door de vrouw verzochte wekelijkse frequentie te veel. De rechtbank zal in navolging van het advies van de Raad bepalen dat de man de vrouw tweewekelijks schriftelijk over de minderjarigen dient te informeren en daarbij één keer per maand een goed gelijkende foto van de minderjarigen mee dient te sturen.
Opschorten bepalingen ouderschapsplan;
4.22
De man heeft verzocht dat de werking van het op 3 augustus 2020 overeengekomen ouderschapsplan wordt opgeschort.
4.23
De rechtbank is van oordeel dat de man tegen de achtergrond van hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen en beslist onvoldoende heeft onderbouwd welk (dringend) belang hij heeft bij dit deel van zijn verzoek. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen.

5.De beslissing.

De rechtbank:
bepaalt – totdat anders wordt beslist in de bodemprocedure – dat de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2011, [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2013, en [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2016, worden toevertrouwd aan de man;
bepaalt – totdat anders wordt beslist in de bodemprocedure – dat voornoemde minderjarigen in de BRP moeten worden ingeschreven op het woonadres van de man en voor zover hiervoor de medewerking (rechtshandeling) van de vrouw is vereist, bepaalt op de voet van artikel 3:300 BW Pro dat deze beschikking dezelfde kracht heeft als de vereiste medewerking en handtekening voor het verstrekken door de vrouw van de toestemming/opdracht om de inschrijving te wijzigen;
stelt – totdat anders wordt beslist in de bodemprocedure – tussen de vrouw en voornoemde minderjarigen een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast zoals is opgenomen onder rechtsoverweging 4.14;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, om ten behoeve van en vooruitlopend op de bodemprocedure met het zaaknummer C/02/444361 / FA RK 26-413 een onderzoek te (doen) verrichten, te rapporteren en te adviseren ter beantwoording van de onder rechtsoverweging 4.11 vermelde vragen, welk rapport dient te worden ingebracht in voormelde bodemprocedure;
verzoekt de advocaten om in de bodemprocedure bij afzonderlijke brief melding te maken van onderhavig onderzoek van de Raad;
bepaalt – totdat anders wordt beslist in de bodemprocedure – dat de man de vrouw eenmaal per twee weken schriftelijk informeert omtrent de ontwikkeling van voornoemde minderjarigen (school, sport, sociale contacten), hun gezondheid, waarbij hij eenmaal per maand een goed gelijkende foto van de minderjarigen dient toe te voegen;
bepaalt dat – totdat anders wordt beslist in de bodemprocedure – de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen voorlopig wordt opgeschort met ingang van 1 juni 2025;
verleent de man vervangende toestemming, welke toestemming die van de vrouw vervangt, om [minderjarige 1] aan te melden voor het traject bij de psycholoog die via school is ingeschakeld, indien en voor zover de vrouw haar toestemming voor deze aanmelding niet heeft gegeven binnen zeven dag na datum van deze beschikking;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hopmans, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van De Pooter, griffier, op 12 maart 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.