De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 12 maart 2026 een verzoek tot voorlopige voorziening in een familierechtelijke zaak tussen een man en een vrouw, ex-partners met drie minderjarige kinderen. De man verzocht onder meer om opschorting van het ouderschapsplan, toewijzing van de kinderen aan hem, opschorting van kinderalimentatie en wijziging van de inschrijving van de kinderen bij de gemeente en Sociale Verzekeringsbank. De vrouw verzocht afwijzing van deze verzoeken en stelde een gefaseerde omgang onder professionele begeleiding voor.
De rechtbank constateerde dat de kinderen sinds mei 2025 feitelijk bij de man verblijven en dat de communicatie tussen ouders ernstig verstoord is. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde het huidige verblijf bij de man te handhaven en een onderzoek te verrichten voor de bodemprocedure. De rechtbank besloot de kinderen voorlopig aan de man toe te vertrouwen, de inschrijving bij de gemeente op zijn adres te wijzigen, en de kinderalimentatie op te schorten vanaf juni 2025.
Daarnaast werd een zorg- en contactregeling vastgesteld waarbij de vrouw tweewekelijks schriftelijk wordt geïnformeerd over de kinderen en eenmaal per maand een foto ontvangt. De rechtbank verleende vervangende toestemming voor het psychologisch traject van een van de kinderen indien de vrouw niet binnen zeven dagen toestemming geeft. De verzoeken tot opschorting van het ouderschapsplan en registratie bij de Sociale Verzekeringsbank werden afgewezen. De rechtbank verzocht de Raad een onderzoek te doen voor de bodemprocedure.