Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3029

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
C/02/444944 / JE RK 26-242
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Merbel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 798 RvArt. 1:247 BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens bedreigde ontwikkeling en omgangsproblemen

De kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 16 maart 2026 besloten de ondertoezichtstelling van een minderjarige te verlengen van 3 april 2026 tot 3 april 2027. De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om verlenging omdat de doelen van de ondertoezichtstelling nog niet zijn bereikt, met name het tot stand brengen van structureel en voorspelbaar contact tussen de minderjarige en zijn vader.

De moeder, belast met het ouderlijk gezag, woont met de minderjarige en uitte zorgen over de veiligheid van het contact met de vader, die hulpverlening weigert en problemen met emotieregulatie ontkent. De GI constateert dat het contact tussen vader en kind onregelmatig is en dat de moeder angstig is, wat leidt tot voorwaarden die niet altijd worden nageleefd. De vader steunt het verzoek tot verlenging en benadrukt dat zonder ondertoezichtstelling de moeder het contact zou belemmeren.

De kinderrechter oordeelt dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk blijft omdat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd. De ouders slagen er onvoldoende in om samen te werken en de omgang te verbeteren, waardoor het risico op loyaliteitsproblemen voor het kind blijft bestaan. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard om de continuïteit van de hulpverlening te waarborgen.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd met een jaar en de beschikking is direct uitvoerbaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaak-/rekestnummer: C/02/444944 / JE RK 26-242
Datum uitspraak: 16 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. F.J.I. van den Branden, kantoorhoudende te Terneuzen,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 11 februari 2026;
  • het op 11 maart 2026 ontvangen verweerschrift van mr. Van den Branden, met producties.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
-de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader;
- twee vertegenwoordigers van de GI.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
Bij beschikking van 3 april 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 3 april 2024 en tot 3 april 2025. Daarna is deze maatregel steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 19 november 2025, zulks met ingang van 3 december 2025 en tot 3 april 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek. Momenteel zijn nog altijd de doelen van de ondertoezichtstelling niet behaald. Het doel waar met name de afgelopen tijd aan gewerkt is, is het tot stand brengen van structureel en voorspelbaar contact tussen [minderjarige] en de vader. Echter verloopt dit niet naar behoren en is er sprake van onrust. De GI moet hard werken om ervoor te zorgen dat de omgangsregeling doorloopt. Dat kost de GI zoveel tijd dat het niet mogelijk is om nog aan de andere doelen van de ondertoezichtstelling te werken. Bij de moeder wordt veel angst gezien in het contact tussen de vader en [minderjarige] , hetgeen ertoe leidt dat zij bepaalde voorwaarden aan het contact stelt. Aan deze voorwaarden kan niet altijd worden voldaan, waardoor de omgangsregeling niet consistent wordt nagekomen en het contact tussen de vader en [minderjarige] onregelmatig plaatsvindt. De GI is juist van mening dat uitbreiding van het contact tussen de vader en [minderjarige] mogelijk is; [minderjarige] ervaart het contact namelijk als prettig. Door de GI worden er momenteel geen zorgelijke signalen gezien in het contact tussen de vader en [minderjarige] en daarnaast zijn er ook geen recente zorgmeldingen op het adres van de vader geweest. Echter is de moeder het niet eens met de uitbreiding van het contact, hetgeen weer voor frustratie bij de vader zorgt. Daarnaast is er ook sprake van wantrouwen van de moeder jegens de GI. Dit maakt de samenwerking met de moeder lastig. De GI stelt hun best te doen om tegemoet te komen aan de angsten en wensen van de moeder, maar dit is voor de moeder niet voldoende.
4.2.
Namens en door de moeder wordt aangegeven dat zij het lastig vindt om akkoord te gaan met de verlenging van de ondertoezichtstelling. Zij beseft dat een ondertoezichtstelling in deze situatie noodzakelijk is, maar haar vertrouwen in de jeugdbeschermers is verdwenen. Twee maanden geleden zijn er twee nieuwe jeugdbeschermers aangesteld. Echter hebben zij nog steeds geen kennis gemaakt met de moeder en [minderjarige] . Ook betrekken en informeren zij de moeder niet over belangrijke zaken en beslissingen aangaande [minderjarige] . Tevens heeft de moeder zorgen over de veiligheid van [minderjarige] , indien hij onbegeleid contact met vader zou hebben. Vader ontkent problemen met zijn emotieregulatie te hebben, is hier niet transparant over wanneer hier naar gevraagd wordt en weigert hulpverlening. De moeder heeft het gevoel dat zij hierin niet serieus wordt genomen door de GI. De zorgen rondom de veiligheid van [minderjarige] bij de vader en de emotieregulatie van de vader lijkt door het tijdsverloop en de wisseling van jeugdbeschermers naar de achtergrond te zijn verdwenen. De moeder kan dan ook niet begrijpen hoe er in het kader van het verlengingsverzoek een compleet andere risicotaxatie bij vader is vastgesteld en er nu nog amper zorgen zijn. Het is voor de toekomst dringend noodzakelijk dat er een goede samenwerking is tussen de moeder en de betreffende GI. De moeder hoopt vanuit die samenwerking te kunnen onderzoeken hoe [minderjarige] blijvend veilig contact met zijn vader kan hebben.
4.3.
Door de vader is naar voren gebracht dat hij het eens is met het verzoek van de GI. Hij sluit zich aan bij hetgeen de GI naar voren heeft gebracht. Daarnaast merkt hij op dat als de moeder zich niet meewerkend gaat opstellen, hij er nog weinig vertrouwen in heeft dat de doelen van de ondertoezichtstelling zullen worden behaald. Echter zonder ondertoezichtstelling weet de vader zeker dat de moeder [minderjarige] van hem zal weghouden.

5.De beoordeling

Procespositie vader
5.1.
De kinderrechter ziet zich voor de vraag gesteld of de vader een rechtspositie toekomt in deze procedure. In artikel 798, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is bepaald dat onder belanghebbende wordt verstaan ‘degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft’. De Hoge Raad heeft al meerdere keren geoordeeld dat het begrip belanghebbende als bedoeld in artikel 798, eerste lid, Rv strikt moet worden geïnterpreteerd. Wie als belanghebbende moet worden aangemerkt wordt bepaald door het onderwerp van de aan de rechter voorgelegde zaak en door de rechten of verplichtingen waarop deze persoon zich beroept. Slechts indien het onderwerp van de zaak ertoe kan leiden dat de rechten of verplichtingen waarop deze persoon zich beroept rechtstreeks door de rechterlijke beslissing worden geraakt is die persoon in die zaak belanghebbende in de zin van art. 798 lid Pro 1, eerste volzin, Rv (HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:488).
5.2.
De kinderrechter overweegt dat een van de gestelde doelen binnen de ondertoezichtstelling is dat [minderjarige] onbelast contact heeft met de vader. De GI oefent omtrent de voortgang en opbouw van dat contact een stevige regierol uit. Ook betrekt de GI in dat kader de vader bij de ondertoezichtstelling en treedt sturend op. Gelet hierop is de kinderrechter van oordeel dat de ondertoezichtstelling rechtstreeks de bescherming van de door artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden beschermde rechten van de vader raakt, zodat hij in voldoende mate betrokken dient te worden in de onderhavige procedure die kan leiden tot een inmenging in deze rechten. Dat kan, in de omstandigheden van dit geval, naar het oordeel van de kinderrechter het beste worden gerealiseerd door de vader in deze procedure aan te merken als belanghebbende.
Wettelijk kader ondertoezichtstelling
5.3.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW)
kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de
duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.4.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een
minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die
minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
5.5.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan en de kinderrechter zal daarom het verzoek van de GI toewijzen voor de duur van twaalf maanden. Dat betekent dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] wordt verlengd, zulks met ingang van 3 april 2026 en tot 3 april 2027. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.6.
[minderjarige] wordt nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. In de afgelopen maanden is door de GI ingezet op het vergroten van de continuïteit in de omgang tussen [minderjarige] en zijn vader, het uitwerken van een uitvoerbaar faseplan voor de opbouw van de omgang, afstemming met de betrokken hulpverlening en het onderhouden van contact met beide ouders. Echter hebben zich meerdere situaties voorgedaan waarbij geplande bezoekmomenten geen doorgang konden vinden of dreigden niet door te gaan omdat de moeder vond dat deze niet konden doorgaan. Er is vrijwel wekelijks tussenkomst van de GI nodig om een bezoekmoment door te laten gaan. [minderjarige] heeft dan ook nog altijd geen structurele, onbelaste omgang met zijn vader. Door de herhaaldelijke stagnatie in de omgang neemt bij vader de wanhoop en boosheid toe, terwijl moeder juist door die boosheid steeds angstiger en terughoudender wordt. Het lukt de ouders hierdoor onvoldoende om samen te werken en te communiceren in het belang van [minderjarige] . Ze lijken elkaar nog steeds veel te verwijten, te wantrouwen en hebben veel zorgen over elkaars opvoedsituatie en opvoedvaardigheden. Het risico is nog steeds reëel dat [minderjarige] klem raakt tussen beide ouders en loyaliteitsproblemen ontwikkelt, hetgeen een negatieve impact kan hebben op zijn emotionele en sociale ontwikkeling.
5.7.
Uit de hiervoor beschreven zorgen, blijkt dat de eerder opgestelde doelen van de ondertoezichtstelling nog niet zijn behaald. De kinderrechter acht de ouders op dit moment ook nog niet in staat om samen, zonder hulp van een professionele derde, tot een verbetering van de situatie te komen. Nu het de ouders zelf niet lukt om gezamenlijk de huidige situatie te veranderen, is het noodzakelijk dat de hulpverlening in het gedwongen kader wordt voortgezet zodat er gewerkt blijft worden aan het behalen van de eerder opgestelde doelen.
5.8.
De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor een jaar verlengen. Op die manier blijft de jeugdbeschermer betrokken om erop toe te zien dat passende hulpverlening wordt ingezet en dat deze hulpverlening doorgang blijft vinden. Daarnaast kan de jeugdbeschermer in het kader van de ondertoezichtstelling als neutraal persoon betrokken blijven om de regie te voeren en de belangen van [minderjarige] te behartigen.
5.9.
De kinderrechter acht het van belang dat de moeder en de GI tot een constructieve samenwerking gaan komen. Hiervoor is een zorgvuldig kennismakingsgesprek noodzakelijk. Ook in de toekomst is het belangrijk dat allebei de ouders worden betrokken bij een besluitvorming. Door middel van regelmatig overleg, openheid en transparantie kan miscommunicatie zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast dient het onderliggende patroon tussen ouders doorbroken te worden. In het kader van een verlenging van de ondertoezichtstelling is het noodzakelijk dat naast strakke regie op de omgang en de gemaakte afspraken, passende hulpverlening wordt ingezet om dit onderliggende patroon te doorbreken.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.10.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van
3 april 2026 en tot 3 april 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2026 door mr. Van de Merbel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Haard als griffier, en op schrift gesteld op 3 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.