Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3086

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
23/12226
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:4 AwbArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen naheffingsaanslag BPM ondanks termijnoverschrijding

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van € 5.276 opgelegd door de inspecteur, die de verschuldigde BPM op € 13.348 stelde na hertaxatie. De rechtbank oordeelt dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade en dat de hogere handelsinkoopwaarde door de inspecteur terecht is vastgesteld, mede vanwege een hogere historische nieuwprijs en CO2-uitstoot.

De rechtbank wijst het beroep af omdat belanghebbende niet slaagt in de bewijslast om een lagere handelsinkoopwaarde aan te tonen. Wel wordt een immateriële schadevergoeding van € 1.000 toegekend wegens een overschrijding van de redelijke termijn van circa acht maanden, die volledig aan de rechtbank is toe te rekenen.

Daarnaast worden proceskosten van € 233,50 toegekend voor de rechtsbijstand bij het verzoek om schadevergoeding. Het griffierecht wordt niet vergoed omdat de termijnoverschrijding op het moment van het verzoek nog niet was verstreken. De uitspraak is gedaan door rechter Bastiaansen en griffier Dees op 15 april 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/12226
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 15 april 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, verbonden aan Bothof Services BV),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 8 december 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 5.276.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin en namens de inspecteur
mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Feiten

2. Belanghebbende heeft op 9 mei 2023 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Volkswagen Tiguan R 4Motion met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 8.072.
2.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
2.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 13.348 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

3. Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag naar een te hoog bedrag is vastgesteld.
Herleidingsmethode
3.1.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [1] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Afschrijvingsmethode
3.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de auto niet voorkomt op de koerslijst en daarom de taxatiemethode moet worden toegepast.
3.3.
Belanghebbende stelt dat rekening gehouden moet worden met meer dan normale gebruiksschade. De inspecteur weerspreekt dat hiervan sprake is.
3.4.
De bewijslast voor een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft hiervoor verwezen naar haar taxatierapport en de bijbehorende foto’s. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de auto zes jaar oud is en 58.592 kilometer heeft gereden. Gelet op het voorgaande kan daarom geen vermindering op de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat als gevolg van schade in aanmerking worden genomen.
Historische nieuwprijs
3.5.
Tussen partijen is vast komen te staan dat de historische nieuwprijs van de auto
€ 82.467 bedraagt.
Handelsinkoopwaarde
3.6.
Belanghebbende stelt de handelsinkoopwaarde op het bedrag van zijn rapport dan wel op het bedrag dat volgt uit de taxatie van DRZ. Belanghebbende voert daarbij aan dat het verschil in CO2-uitstoot tussen de te registreren auto en de referentieauto geen hogere handelsinkoopwaarde tot gevolg heeft. Volgens belanghebbende mag de inspecteur daarnaast niet terugkomen op de handelsinkoopwaarde die hij heeft gebruikt bij het opleggen van de naheffingsaanslag. Belanghebbende stelt dat een wijziging van de nieuwprijs geen nadelige gevolgen voor belanghebbende tot gevolg mag hebben.
3.7.
De inspecteur heeft toegelicht dat de hogere historische nieuwprijs meebrengt dat voor de registreren auto ook van een hogere handelsinkoopwaarde (in onbeschadigde staat) moet worden uitgegaan. De inspecteur wijst daarbij op de omstandigheid dat de auto niet in een koerslijst voorkomt, naar het bedrag dat belanghebbende zelf voor de auto heeft betaald en het grote verschil in vermogen. Volgens de inspecteur is niet aannemelijk wat de handelsinkoopwaarde is aangezien de gebruikte gegevens uitgaan van auto’s met een afwijkende CO2-uitstoot, en dat niet duidelijk is hoe dit zich verhoudt tot de handelsinkoopwaarde van de te registreren auto. Volgens de inspecteur is de handelsinkoopwaarde van de te registreren auto dus hoger, omdat de hogere CO2-uitstoot verband houdt met de uitvoering en/of opties van de registeren auto. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende de bewijslast om aannemelijk te maken wat de afwijkingen zijn van de te registreren auto ten opzichte van de referentieauto en welke gevolgen dit heeft voor de handelsinkoopwaarde.
3.8.
De rechtbank overweegt dat in het onderhavige geval de inspecteur gemotiveerd de door de belastingplichtige verdedigde vermindering heeft betwist, en het daarom op de weg van belanghebbende ligt om de feiten aannemelijk te maken die deze vermindering onderbouwen. [2] Dit betekent dat belanghebbende het bewijs dient te leveren dat een afwijkende CO2-uitstoot niet leidt tot een hogere handelsinkoopwaarde en dus tot een lager afschrijvingspercentage van de te registreren auto. Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet in die bewijslast geslaagd. Gelet op de omstandigheden van het geval neemt de rechtbank als uitgangspunt dat dit zijn oorzaak moet vinden in een verschil in een CO2-verhogende uitvoering en/of opties. Een dergelijk verschil heeft gevolgen voor de handelsinkoopwaarde. Belanghebbende heeft onvoldoende inzicht gegeven in hoe in de koerslijst rekening is gehouden met dergelijke CO2-verhogende verschillen.
3.9.
Volgens belanghebbende kan de inspecteur niet terugkomen op de handelsinkoopwaarde die bij de het opleggen van naheffingsaanslag is gebruikt. Belanghebbende beroept zich daartoe op het vertrouwensbeginsel. De rechtbank volgt deze stelling niet. Het staat de inspecteur in beginsel vrij om in de beroepsfase een nader standpunt in te nemen. Ook uit de door belanghebbende overgelegde e-mail volgt niet dat de inspecteur dat in dit geval niet kon doen. Belanghebbende miskent dat de e-mail niets zegt over de standpuntbepaling van de inspecteur binnen het toepassen van de taxatiemethode.
Hoogte naheffingsaanslag
3.10.
Gelet op het voorgaande is de naheffingsaanslag niet te hoog vastgesteld.
Immateriëleschadevergoeding
4. Belanghebbende heeft op 21 december 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 13 september 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 15 april 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 8 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1000.
4.2.
Omdat de termijnoverschrijding volledig aan de rechtbank is te wijten komt dit bedrag voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriëleschadevergoeding van € 1.000.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriëleschadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25 [3] , wat neerkomt op € 233,50. De Staat moet deze kosten vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed. Het verzoek om immateriële schadevergoeding is weliswaar gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [4] , echter op die datum was de redelijke termijn nog niet verstreken.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 1.000;
  • veroordeelt de Staat tot betaling van € 233,50 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. R.M.P. Dees, griffier op 15 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Vgl. Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
2.Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 26 november 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3376.
3.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, r.o. 5.2.
4.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.1 en 7.1.2.