Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van € 5.276 opgelegd door de inspecteur, die de verschuldigde BPM op € 13.348 stelde na hertaxatie. De rechtbank oordeelt dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade en dat de hogere handelsinkoopwaarde door de inspecteur terecht is vastgesteld, mede vanwege een hogere historische nieuwprijs en CO2-uitstoot.
De rechtbank wijst het beroep af omdat belanghebbende niet slaagt in de bewijslast om een lagere handelsinkoopwaarde aan te tonen. Wel wordt een immateriële schadevergoeding van € 1.000 toegekend wegens een overschrijding van de redelijke termijn van circa acht maanden, die volledig aan de rechtbank is toe te rekenen.
Daarnaast worden proceskosten van € 233,50 toegekend voor de rechtsbijstand bij het verzoek om schadevergoeding. Het griffierecht wordt niet vergoed omdat de termijnoverschrijding op het moment van het verzoek nog niet was verstreken. De uitspraak is gedaan door rechter Bastiaansen en griffier Dees op 15 april 2026.