Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3088

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
23/10469
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen naheffingsaanslag BPM en toekenning immateriële schadevergoeding

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van € 4.312 en belastingrente van € 21, opgelegd door de inspecteur na een hertaxatie van een Ford S-Max. De kern van het geschil betreft de toepasbaarheid van de herleidingsmethode, de afschrijvingsmethode en de handelsinkoopwaarde van de auto.

De rechtbank oordeelt dat de herleidingsmethode niet kan worden toegepast en dat belanghebbende onvoldoende heeft aangetoond dat er sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De inspecteur heeft een hogere handelsinkoopwaarde vastgesteld, mede vanwege een hogere CO2-uitstoot en uitvoering van de auto, wat belanghebbende niet aannemelijk heeft kunnen weerleggen. Hierdoor is de naheffingsaanslag terecht opgelegd.

Daarnaast heeft belanghebbende een verzoek ingediend voor immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank constateert een termijnoverschrijding van ongeveer 12 maanden en kent een schadevergoeding van € 1.000 toe, die voor rekening van de Staat komt. Tevens worden proceskosten van € 233,50 aan belanghebbende toegekend. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/10469
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 15 april 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] VOF, uit [plaats], belanghebbende,

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, verbonden aan Bothof Services BV)
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 11 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.312. Gelijktijdig met naheffingsaanslag is de belastingrente vastgesteld op € 21.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag in stand gelaten.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2].

Feiten

2. Belanghebbende heeft op 29 november 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Ford S-Max 1.5 Titantium met VIN-nummer [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 609.
2.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
2.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 4.921 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

3. Tussen partijen is in geschil of de zogenoemde herleidingsmethode kan worden toegepast. Verder is in geschil welke afschrijvingsmethode van toepassing is en de handelsinkoopwaarde.
Herleidingsmethode
3.1.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [1] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Afschrijvingsmethode
3.2.
Belanghebbende stelt dat sprake is van een auto met meer dan normale gebruiksschade. De inspecteur betwist dat sprake is van schade en verwijst in dat kader naar het rapport van de taxateur van DRZ. De taxateur van DRZ heeft geen schade aan de auto geconstateerd en opgemerkt dat de opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen dan wel als gebruikssporen zijn aangemerkt.
3.3.
De bewijslast voor een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft hiervoor verwezen naar haar taxatierapport en de bijbehorende foto’s. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de auto vier jaar oud is en 114.743 kilometer heeft gereden. Al hetgeen de inspecteur met betrekking tot het taxatierapport heeft gesteld behoeft dan geen verdere behandeling.
3.4.
Het voorgaande brengt met zich dat de afschrijving voor de auto in het onderhavige geval niet kan plaatsvinden aan de hand van de taxatiemethode. Belanghebbende heeft voor dat geval een beroep gedaan op de koerslijstmethode.
Historische nieuwprijs
3.5.
Tussen partijen is vast komen te staan dat de historische nieuwprijs van de auto
€ 58.526 bedraagt.
Handelinkoopwaarde in onbeschadigde staat
3.6.
Belanghebbende stelt dat de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat primair € 15.096, dan wel subsidiair € 15.634 bedraagt. De inspecteur gaat uit van een handelsinkoopwaarde (in onbeschadigde staat) van € 21.421.
3.7.
Belanghebbende stelt dat het verschil in CO2-uitstoot tussen de te registreren auto en de referentieauto geen hogere handelsinkoopwaarde tot gevolg heeft. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft belanghebbende in beroep een (nieuwe) koerslijst van X-Ray overgelegd waarin de CO2-uitstoot van het te registreren voertuig (169 gr/km) is ingevuld. Volgens belanghebbende mag de inspecteur niet terugkomen op de handelsinkoopwaarde die hij heeft gebruikt bij het opleggen van de naheffingsaanslag. Belanghebbende stelt dat een wijziging van de nieuwprijs geen nadelige gevolgen voor belanghebbende tot gevolg mag hebben. Belanghebbende beroept zich hiertoe op het vertrouwensbeginsel.
3.8.
De inspecteur heeft toegelicht dat de hogere historische nieuwprijs meebrengt dat voor de registreren auto ook van een hogere handelsinkoopwaarde (in onbeschadigde staat) moet worden uitgegaan. Volgens de inspecteur is niet duidelijk of de (enkele) handmatige aanpassing van de CO2-uitstoot bij de rubriek ‘CO2 klant’ doorwerkt naar de waardering. De in de koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde is namelijk gebaseerd op een referentieauto met een CO2-uitstoot van 149 gr/km, terwijl de te registreren auto een CO2-uitstoot van 169 gr/km heeft. De handelsinkoopwaarde (in onbeschadigde staat) blijft volgens de nieuwe koerslijst ongewijzigd. Volgens de inspecteur is de handelsinkoopwaarde van de te registreren auto hoger, omdat de hogere CO2-uitstoot verband houdt met de uitvoering en/of opties van de te registeren auto. De inspecteur stelt dat de te registreren auto daarnaast zwaarder is en meer motorvermogen heeft. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende de bewijslast om aannemelijk te maken wat de afwijkingen zijn van de te registreren auto ten opzichte van de referentieauto en welke gevolgen dit heeft voor de handelsinkoopwaarde. Gelet op het verschil in CO2-uitstoot tussen de referentieauto en de onderhavige auto heeft de inspecteur in dit geval de handelsinkoopwaarde bepaald met als uitgangspunt het bedrag dat belanghebbende voor de auto heeft betaald.
3.9.
De rechtbank overweegt dat in het onderhavige geval de inspecteur gemotiveerd de door de belastingplichtige verdedigde vermindering heeft betwist, en het daarom op de weg van belanghebbende ligt om de feiten aannemelijk te maken die deze vermindering onderbouwen. [2] Dit betekent dat belanghebbende het bewijs dient te leveren dat een afwijkende CO2-uitstoot niet leidt tot een hogere handelsinkoopwaarde en dus tot een lager afschrijvingspercentage van de te registreren auto. Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet in die bewijslast geslaagd. Nu belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt waardoor het verschil in CO2-uitstoot wordt veroorzaakt, neemt de rechtbank als uitgangspunt dat een verschil in CO2-uitstoot zoals in onderhavige geval aan de orde is, te weten een verschil van 20 gr/km, zijn oorzaak moet vinden in een verschil in CO2-verhogende opties. Een dergelijk verschil in opties heeft gevolgen voor de handelsinkoopwaarde. Belanghebbende heeft onvoldoende inzicht gegeven in hoe in de nieuwe koerslijst rekening is gehouden met dergelijke (extra) CO2-verhogende opties.
3.10.
Gelet op het voorgaande heeft de hogere CO2-uitstoot een zodanige invloed op de handelsinkoopwaarde, dat ondanks de hogere historische nieuwprijs, het afschrijvingspercentage niet wijzigt. Dit betekent dat de naheffingsaanslag niet te hoog is vastgesteld.
3.11.
Belanghebbende heeft gesteld dat dit in strijd is met het vertrouwensbeginsel. De rechtbank volgt deze stelling niet. De inspecteur is weliswaar in eerste instantie ook aangesloten bij de door DRZ gehanteerde koerslijst van XRAY, echter staat het de inspecteur in beginsel vrij om in de beroepsfase een nader standpunt in te nemen. Ook uit de door belanghebbende overgelegde e-mail volgt niet dat de inspecteur dat in dit geval niet kon doen. Belanghebbende miskent dat de e-mail niets zegt over de standpuntbepaling van de inspecteur binnen het toepassen van de koerslijstmethode.
Hoogte naheffingsaanslag
3.12.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag niet tot een te hoog bedrag is opgelegd.
Immateriëleschadevergoeding
4. Belanghebbende heeft op 24 oktober 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 12 mei 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 15 april 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 12 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1000.
4.2.
Omdat de termijnoverschrijding volledig aan de rechtbank is te wijten komt dit bedrag voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële- schadevergoeding van € 1.000.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriëleschadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25 [3] , wat neerkomt op € 233,50. De Staat moet deze kosten vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed. Het verzoek om immateriële schadevergoeding is weliswaar gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [4] , echter op die datum was de redelijke termijn nog niet verstreken.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 1.000;
  • veroordeelt de Staat tot betaling van € 233,50 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. R.M.P. Dees, griffier op 15 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Vgl. Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
2.Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 26 november 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3376.
3.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, r.o. 5.2.
4.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.1 en 7.1.2.