ECLI:NL:RBZWB:2026:309

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
BRE 25/2359
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:5 AwbArt. 1 Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraakInvorderingswet 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd tot beoordeling van beslaglegging door invorderingsambtenaar

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een brief van de invorderingsambtenaar over beslaglegging van 4 maart 2025. De rechtbank oordeelt dat zij kennelijk onbevoegd is om over deze zaak te beslissen en doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro.

De rechtbank stelt vast dat de belastingrechter in principe niet bevoegd is om te oordelen over beslissingen van de ontvanger op grond van de Invorderingswet, tenzij er een wettelijke uitzondering geldt. De beslaglegging valt niet onder deze uitzonderingen, waardoor de rechtbank het beroep niet in behandeling kan nemen. De kwestie moet aan een civiele rechter worden voorgelegd.

Belanghebbende heeft ook bezwaar gemaakt tegen invorderingskosten en rente, maar deze procedure betreft alleen de beslaglegging en niet de rechtmatigheid van de schulden zelf. Tegen de kosten en rente staat een zelfstandig bezwaar open, maar de bezwaartermijn is waarschijnlijk verstreken.

De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd en wijst het beroep af zonder inhoudelijke beoordeling. Omdat belanghebbende geen griffierecht heeft betaald, wordt ook geen griffierecht teruggegeven.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om te oordelen over het beroep tegen beslaglegging en wijst het af.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/2359

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

en
de invorderingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant, de invorderingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de brief van de invorderingsambtenaar over beslaglegging van 4 maart 2025.
1.1.
Omdat de rechtbank kennelijk onbevoegd is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De belastingrechter is als uitgangspunt niet bevoegd te oordelen over beslissingen van de ontvanger op grond van de IW. [1] Voor bepaalde besluiten is in de regelgeving een uitzondering gemaakt.
3. De beslissing tot beslaglegging valt niet onder een van de uitzonderingen. De belastingrechter is dus niet bevoegd om kennis te nemen van het beroep. Dit zijn civiele kwesties die aan een civiele rechter moeten worden voorgelegd. Dit betekent dat de rechtbank ook niet toekomt aan de gronden van belanghebbende over het handelen van de invorderingsambtenaar bij de invordering. De rechtbank heeft het beroepschrift niet doorgestuurd naar de bevoegde rechter. Voor een procedure bij de civiele rechter is, in een aantal gevallen, vertegenwoordiging door een advocaat verplicht.
4. Belanghebbende heeft in het nader stuk van 17 juni 2025 te kennen gegeven dat hij het niet eens is met de invorderingskosten en rente die in rekening zijn gebracht. In deze procedure gaat het echter alleen om de beslaglegging in verband met openstaande schulden en niet om de rechtmatigheid van die schulden zelf. Tegen de invorderingskosten en rente staat zelfstandig bezwaar open op het moment dat deze in rekening worden gebracht. De rechtbank merkt daarbij op dat gelet op de data van de dwangbevelen, de bezwaartermijn waarschijnlijk inmiddels al is verstreken.

Conclusie en gevolgen

5. De rechtbank is onbevoegd een inhoudelijk oordeel te geven in deze zaak over beslaglegging.
6. Belanghebbende heeft geen griffierecht betaald. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om griffierecht terug te geven.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 23 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:5 van Pro de Awb en artikel 1 van Pro de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak die behoort bij de Awb. In dat artikel 1 wordt Pro de Invorderingswet 1990 genoemd.