De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 16 april 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser beroep instelde tegen het niet tijdig beslissen op zijn verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank oordeelde dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het griffierecht van € 200,- niet binnen de gestelde termijn is betaald. De griffier had eiser bij aangetekende brief van 3 februari 2026 gewezen op de verschuldigdheid en de betalingstermijn van twee weken.
Eiser heeft geen verontschuldiging gegeven voor het niet betalen van het griffierecht. Hierdoor kon de rechtbank het beroep niet inhoudelijk behandelen en bleef het bestreden besluit in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
De uitspraak is gedaan door rechter A.G.J.M. de Weert en griffier T. Kalsbeek en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Partijen kunnen binnen zes weken verzetschrift indienen tegen deze beslissing.