Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3115

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
BRE 23/11872, BRE 23/11873
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 3:4 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Naheffingsaanslag BPM bevestigd ondanks geschil over taxatiemethode en CO2-uitstoot

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen naheffingsaanslagen BPM voor twee voertuigen, waarbij zij de taxatiemethode en afschrijvingspercentages betwistte. De inspecteur stelde naheffingsaanslagen vast op basis van een hertaxatie door de Dienst Domeinen Roerende Zaken, die geen waardevermindering wegens schade vond.

De rechtbank oordeelt dat de herleidingsmethode niet toepasbaar is en dat belanghebbende onvoldoende bewijs heeft geleverd voor een afwijkende afschrijving, mede door het ontbreken van inkoopfacturen. De hogere CO2-uitstoot leidt volgens de rechtbank tot een hogere handelsinkoopwaarde, waardoor de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd.

Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de belastingrente aangevoerd, zodat deze in stand blijft. Wel is de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase met dertien maanden overschreden, waardoor belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding van € 1.500, waarvan een deel voor rekening van de inspecteur en de rest voor de Staat komt.

De rechtbank wijst het beroep af, bevestigt de naheffingsaanslagen en veroordeelt de Staat en de inspecteur tot betaling van de immateriële schadevergoeding en proceskosten. Het griffierecht wordt niet vergoed omdat de redelijke termijn op het moment van het verzoek nog niet was verstreken.

Uitkomst: De naheffingsaanslagen BPM worden bevestigd, het beroep wordt afgewezen, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11782, 23/11783
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 15 april 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 21 november 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 11.211.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur € 23 aan belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag heeft opgelegd. Tevens beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd
.Belanghebbende heeft wel recht op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

Zaaknummer 23/11782
3. Belanghebbende heeft op 19 juli 2022 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Mercedes-Benz GLC-klasse-43 AMG 4MATIC met VIN-nummer [nummer 1] (auto 1), en een bedrag van € 8.817 aan Bpm voldaan.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. Daarin is een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat opgenomen van € 33.306.
3.2.
Bij de aangifte heeft belanghebbende geen inkoopfactuur overgelegd.
3.3.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Het DRZ-rapport vermeldt geen waardevermindering wegens schade. In het DRZ-rapport is daarover het volgende opgemerkt: “Alle opgegeven schade is niet aangetroffen of valt onder gebruiksschade.” De inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 13.336 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd.
Zaaknummer 23/11783
3.4.
Belanghebbende heeft op 22 juli 2022 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Audi A6 Avant RS 6 TFSI met VIN-nummer [nummer 2] (auto 2), en een bedrag van € 26.621 aan Bpm voldaan.
3.5.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. Daarin is een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat opgenomen van € 100.506.
3.6.
Bij de aangifte heeft belanghebbende geen inkoopfactuur overgelegd.
3.7.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Het DRZ-rapport vermeldt geen waardevermindering wegens schade. In het DRZ-rapport is daarover het volgende opgemerkt: “Alle opgegeven schade is niet aangetroffen of valt onder gebruiksschade.” De inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 33.313 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd.

Motivering

4. Tussen partijen is in geschil of de zogenoemde herleidingsmethode kan worden toegepast. Verder is in geschil welke afschrijvingsmethode moet worden toegepast en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat.
Herleidingsmethode
4.1.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [1] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Afschrijvingsmethode
4.2.
Indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade of indien sprake is van een voertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst mag de afschrijving worden bepaald aan de hand van een taxatierapport. Wel is daarvoor vereist dat het taxatierapport voldoet aan de daarvoor geldende voorwaarden. [2] Belanghebbende heeft verzuimd om bij de aangifte voor auto 1 en auto 2 de inkoopfacturen te overleggen. Toepassing van de taxatiemethode kan dan niet aan de orde zijn.
Historische nieuwprijs en handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat
4.3.
Alleen voor auto 2 doet belanghebbende dan een beroep op de koerslijstmethode. Met betrekking tot auto 2 is tussen partijen niet in geschil dat de historische nieuwprijs, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 [3] , € 240.749 bedraagt. Partijen houdt verdeeld of de hogere historische nieuwprijs leidt tot een hoger afschrijvingspercentage voor de toepassing van de koerslijstmethode.
4.4.
Belanghebbende stelt dat uitgaande van de door de inspecteur op basis van de koerslijst X-Ray vastgestelde handelsinkoopwaarde van € 123.614 de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 6.091. Een hogere CO2-uitstoot leidt niet tot een hogere handelsinkoopwaarde. Belanghebbende stelt verder dat de inspecteur niet mag terugkomen op de eerder gebruikte handelsinkoopwaarde, omdat dit in strijd is met het vertrouwensbeginsel.
4.5.
De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de hogere historische nieuwprijs meebrengt dat tevens van een hogere handelsinkoopwaarde moet worden uitgegaan, omdat rekening moet worden gehouden met een hogere CO2-uitstoot. De hogere CO2-uitstoot zal verband houden met de uitvoering of opties van de auto.
4.6.
De rechtbank overweegt dat de inspecteur gemotiveerd de door de belastingplichtige verdedigde vermindering (afschrijving) heeft betwist. Het ligt dan op de weg van belanghebbende om de feiten aannemelijk te maken die deze vermindering onderbouwen. [4] Dit betekent dat belanghebbende het bewijs dient te leveren dat een afwijkende CO2-uitstoot niet leidt tot een hogere handelsinkoopwaarde en dus tot een lager afschrijvingspercentage van de te registreren auto. [5] De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet in die bewijslast is geslaagd. Nu belanghebbende niet aannemelijk heeft kunnen maken waardoor het verschil in CO2-uitstoot wordt veroorzaakt, neemt de rechtbank als uitgangspunt dat een verschil in CO2-uitstoot zoals in deze zaak aan de orde is, te weten een verschil van 10 gr/km, zijn oorzaak moet vinden in een verschil in CO2-verhogende opties. Een dergelijk verschil in opties heeft gevolgen voor de handelsinkoopwaarde. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, had het op de weg van belanghebbende gelegen om toe te lichten of sprake is van verschillen in opties tussen de te registreren auto en het Nederlandse referentievoertuig en, zo ja, om te motiveren waarom die verschillen in opties géén invloed hebben op de handelsinkoopwaarde. Belanghebbende is dus niet in zijn bewijslast geslaagd. De rechtbank neemt hierbij mede in overweging dat belanghebbende geen inkoopfactuur heeft overgelegd. Gelet op het voorgaande neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat, zoals de inspecteur terecht heeft betoogd, de hogere CO2-uitstoot van het te registreren voertuig een zodanige invloed heeft op de handelsinkoopwaarde dat ondanks de hogere historische nieuwprijs het afschrijvingspercentage daardoor niet wijzigt.
Mogelijkheid om terug te komen op de handelsinkoopwaarde
4.7.
De rechtbank volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat de inspecteur niet mag terugkomen op de eerder gehanteerde handelsinkoopwaarde. De inspecteur is weliswaar in eerste instantie aangesloten bij een koerslijst van Eurotax, echter het staat het de inspecteur in beginsel vrij om in de beroepsfase een nader standpunt in te nemen. Ook uit de door belanghebbende overgelegde e-mail volgt niet dat de inspecteur dat in dit geval niet kon doen. Belanghebbende miskent dat de e-mail niets zegt over de standpuntbepaling van de inspecteur binnen het toepassen van de koerslijstmethode.
Hoogte van de naheffingsaanslag
4.8.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat voor beide auto’s de naheffingsaanslag niet tot een te hoog bedrag is opgelegd.
Belastingrente
4.9.
De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking.
Immateriëleschadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn
4.10.
Belanghebbende maakt aanspraak op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het geschil beslecht had moeten zijn. De Hoge Raad heeft als uitgangspunt bepaald dat een redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg een periode van twee jaar bedraagt. [6] Indien deze termijn wordt overschreden, is er aanleiding voor een vergoeding van immateriële schade.
4.11.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 22 maart 2023 heeft ontvangen. De inspecteur heeft op 21 november 2023 uitspraak op bezwaar gedaan. De rechtbank doet uitspraak op 15 april 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond dertien maanden overschreden. Belanghebbende heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 1.500. Van deze vergoeding komt € 230,77 (2/13e deel) voor rekening van de inspecteur. Het resterende bedrag van € 1.269,23 komt voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Wel heeft belanghebbende recht op een vergoeding van immateriële schade van € 1.500.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriëleschadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van de proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht met een waarde van € 934 en een wegingsfactor van 0,25 [7] . De vergoeding bedraagt dan in totaal € 233,50. De inspecteur en De Staat moeten, ieder voor de helft, die kosten vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed. Het verzoek om immateriële schadevergoeding is weliswaar gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [8] , echter op die datum was de redelijke termijn nog niet verstreken.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.269,23;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 230,77;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier.
De griffier is buiten staat
deze uitspraak mede te
ondertekenen
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
2.Hoge Raad 3 oktober 2025, r.o. 4.3.4.
3.Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703.
4.Hoge Raad 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147.
5.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 26 november 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3376.
6.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
7.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
8.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.1 en 7.1.2.