Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van €4.879, die na bezwaar is verminderd tot €4.759. De rechtbank beoordeelt dat de aanslag terecht is vastgesteld, waarbij de herleidingsmethode niet toepasbaar is en de door belanghebbende gestelde schade onvoldoende aannemelijk is gemaakt. De hogere historische nieuwprijs leidt niet tot een lagere handelsinkoopwaarde vanwege een hogere CO2-uitstoot die verband houdt met opties van het voertuig.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht in de beroepsfase een ander standpunt mocht innemen over de handelsinkoopwaarde. Wel heeft belanghebbende recht op een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase, omdat de inspecteur de vergoeding te laag heeft vastgesteld in strijd met een arrest van de Hoge Raad. Daarnaast is de redelijke termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase met ongeveer acht maanden overschreden, waardoor belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding van €1.000.
De rechtbank vernietigt het deel van de uitspraak op bezwaar dat de kostenvergoeding betreft en bepaalt dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van €1.332 voor de bezwaarfase. Tevens wordt de Staat veroordeeld tot betaling van de immateriële schadevergoeding, en de inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Het beroep wordt gegrond verklaard.