Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3123

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
BRE 24/8184 en 24/8185
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:36c AwbArt. 27h AWRArt. 28 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen aanslagen inkomstenbelasting en zorgverzekeringswet 2021

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en Zorgverzekeringswet (Zvw) over het jaar 2021. De inspecteur had het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank behandelde het beroep op 12 maart 2026, waarbij belanghebbende niet aanwezig was.

Belanghebbende had in de aangifte inkomsten uit een persoonsgebonden budget (pgb) als resultaat uit overige werkzaamheden opgegeven en kosten voor telefoon, internet, afschrijvingen en reiskosten als kostenposten. Tevens werden specifieke zorgkosten opgevoerd. De inspecteur weigerde de aftrek van vervoerskosten en kosten bij het resultaat uit overige werkzaamheden.

De rechtbank oordeelde dat belanghebbende slechts gedeeltelijk aannemelijk had gemaakt recht te hebben op aftrek van vervoerskosten (€ 2.176) en dat de overige kosten niet voldoende waren onderbouwd. De specifieke zorgkosten werden eveneens niet erkend wegens onvoldoende bewijs van hoogte en verband met ziekte of invaliditeit.

De aanslag IB/PVV werd daarom verminderd tot een belastbaar inkomen van € 70.215. De aanslag Zvw bleef ongewijzigd omdat het bijdrage-inkomen boven het maximum lag. De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar over de IB/PVV en de belastingrentebeschikking, en bepaalde dat de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden.

Uitkomst: De aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2021 wordt verminderd, de aanslag Zorgverzekeringswet 2021 blijft ongewijzigd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/8184 en 24/8185
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 april 2026 in de zaken tussen

[belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 24 oktober 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 73.391. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag IB/PVV heeft de inspecteur belanghebbende € 364 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 ook een aanslag voor de Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 15.859.
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de inspecteur deelgenomen: mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] .
1.5.
Namens belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niemand verschenen. De griffier heeft op 16 december 2025 in het digitaal dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan belanghebbende verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat belanghebbende dit bericht op 16 december 2025 heeft ontvangen. [1] De rechtbank stelt daarmee vast dat belanghebbende correct en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen IB/PVV en Zvw naar de juiste hoogte zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de aanslag IB/PVV te hoog vastgesteld. De aanslag Zvw is niet te hoog. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft een zoon, geboren op [geboortedag] 1997. In het onderhavige jaar was hij 24 jaar oud. De zoon van belanghebbende heeft een ernstige neurologische en cognitieve beperking. Belanghebbende heeft een persoonsgebonden budget (pgb) in verband met de zorg voor haar zoon.
4.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte IB/PVV 2021 de inkomsten uit het pgb van € 30.939 als resultaat uit overige werkzaamheden aangegeven. Daarnaast heeft belanghebbende € 12.224 als kosten aangegeven. Belanghebbende heeft aangegeven dat de kosten zien op telefoon- en internetkosten, afschrijvingen en reiskosten.
4.2.
Belanghebbende heeft € 10.160 aan specifieke zorgkosten opgenomen in de aangifte IB/PVV 2021. Belanghebbende heeft aangegeven dat deze kosten zien op uitgaven voor vervoer in verband met ziekte of invaliditeit. Belanghebbende heeft een drempel van € 1.777 voor de uitgaven specifieke zorgkosten. Het totale aftrekbare bedrag in de aangifte IB/PVV 2021 komt daardoor uit op € 8.383.
4.3.
De inspecteur is afgeweken van de aangifte en heeft de aftrek van de vervoerskosten en de aftrek van kosten bij resultaat uit overige werkzaamheden niet toegestaan.
4.4.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw 2021. Het bezwaarschrift is door de inspecteur ontvangen op 31 mei 2023.
4.5.
De inspecteur heeft op 24 oktober 2024 uitspraak op bezwaar gedaan.

Motivering

Heeft belanghebbende recht op aftrek van vervoerskosten van het resultaat uit overige werkzaamheden?
5. De bewijslast om aannemelijk te maken dat belanghebbende aftrekbare kosten heeft gemaakt in verband met de inkomsten uit het pgb, ligt bij belanghebbende. Met de door belanghebbende overgelegde stukken is niet aannemelijk gemaakt dat alle vervoerskosten aftrekbaar zijn van het resultaat uit overige werkzaamheden.
5.1.
Ter zitting heeft de inspecteur aangegeven akkoord te zijn met een aftrek van € 2.016 voor het wekelijks vervoer van [plaats 1] naar [plaats 2] . Ook de taxikosten van € 160 komen voor aftrek in aanmerking. De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken. De overige kosten zijn naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt. Het belastbaar inkomen uit overige werkzaamheden zal verminderd worden naar € 28.763.
Heeft belanghebbende recht op aftrek van de specifieke zorgkosten?
6. Ook voor de aftrek van specifieke zorgkosten ligt de bewijslast om aannemelijk te maken dat belanghebbende deze kosten heeft gemaakt bij belanghebbende. De kosten moeten zijn gemaakt in verband met ziekte of invaliditeit, de kosten moeten boven een bepaalde inkomensafhankelijke drempel uitstijgen en de kosten moeten op de belastingplichtige drukken.
6.1.
Voor wat betreft de kosten die niet rechtstreeks verband hebben met de verkrijging van geneeskundige hulp, zijn deze slechts aftrekbaar als deze meer bedragen dan die van personen die niet ziek of invalide zijn, maar overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft, in een gelijke positie verkeren. [2] Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende met de overgelegde stukken niet aannemelijk gemaakt dat de kosten die zij gemaakt heeft, hoger zijn dan van een persoon die niet ziek of invalide is en die in een gelijke positie verkeert wat betreft inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden. Daarnaast is ook de hoogte van de kosten zelf niet aannemelijk gemaakt. Voor wat betreft de kosten die rechtstreeks verband hebben met het verkrijgen van geneeskundige hulp, heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank de hoogte van de kosten niet aannemelijk gemaakt. Het is niet duidelijk hoe belanghebbende de hoogte van de kosten heeft berekend. De inspecteur heeft bij deze stand van zaken terecht de aftrek van specifieke zorgkosten geweigerd.
Tussenconclusie
7. De rechtbank stelt vast dat de aanslag IB/PVV 2021 te hoog is vastgesteld. Belanghebbende heeft recht op een aftrek aan kosten van € 2.176 in verband met de inkomsten uit het pgb. Het resultaat uit overige werkzaamheden wordt daarom verminderd tot € 28.763. De inspecteur heeft ter zitting aangegeven dat voor dat geval het verzamelinkomen dan op € 70.215 moet worden vastgesteld. De aanslag Zvw 2021 is juist omdat het bijdrage-inkomen hoger blijft dan het maximum bijdrage-inkomen van € 58.311.
Belastingrente
8. Belanghebbende stelt dat de inspecteur niet tijdig uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Hierdoor is belastingrente berekend wat niet binnen de verantwoordelijkheid van belanghebbende valt. De inspecteur heeft in zijn bezwaarschrift aangegeven dat inderdaad buiten de beslistermijn uitspraak op bezwaar is gedaan.
8.1.
De omstandigheid dat de inspecteur buiten de beslistermijn uitspraak op bezwaar doet, brengt niet mee dat de belastingrentebeschikking vernietigd dient te worden. Nu de met de belastingrentebeschikking samenhangende aanslag zal worden verminderd, dient de inspecteur het bedrag van de belastingrente dienovereenkomstig te verminderen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2021 is gegrond omdat belanghebbende recht heeft op een aftrek aan beperkte kosten in verband met de inkomsten uit het pgb. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar die ziet op de aanslag IB/PVV 2021 en de daarmee samenhangende belastingrentebeschikking. Het beroep tegen de aanslag Zvw is ongegrond.
9.1.
Omdat de beroepen gegrond zijn moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gericht tegen de uitspraak op bezwaar over de aanslag IB/PVV 2021 en de daarmee samenhangende belastingrentebeschikking, gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar over de aanslag IB/PVV 2021 en de daarmee samenhangende belastingrente beschikking;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2021 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 70.215 en wijzigt de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;
- verklaart het beroep gericht tegen de uitspraak op bezwaar over de aanslag Zvw 2021 ongegrond;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft pas uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [3]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Hoge Raad 24 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9626.
3.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.