Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3135

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
BRE 26/1172 en BRE 26/1184
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:10 AwbArt. 6:10aa Wet hersteloperatie toeslagen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank bevestigt gegrondheid beroep wegens niet tijdig besluit op bezwaar Wht en legt dwangsom op

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op hun bezwaar van 26 augustus 2025 over aanvullende compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De rechtbank beoordeelt dat de beslistermijn door verweerder is overschreden, ondanks verlengingen en opschortingen.

Hoewel eisers te vroeg ingebrekestellingen indienden en daardoor formeel te vroeg in beroep gingen, verklaart de rechtbank het beroep toch ontvankelijk en kennelijk gegrond omdat verweerder nog steeds geen besluit heeft genomen en de wettelijke termijn inmiddels is verstreken.

De rechtbank legt een nieuwe beslistermijn op van uiterlijk 6 april 2027, aansluitend bij een recente lijn van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd voor elke dag dat verweerder de termijn overschrijdt.

Verweerder wordt verplicht het griffierecht van €108 aan eisers te vergoeden. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 17 april 2026 door rechter S.A.M.L. van de Sande.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, legt een nieuwe beslistermijn op en een dwangsom aan verweerder op.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 26/1172 en BRE 26/1184

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaken tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit [plaats] , eisers

en

Dienst Toeslagen, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen die eiser en eiseres hebben ingesteld, omdat verweerder volgens hen niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 26 augustus 2025 tegen het besluit over aanvullende compensatie voor de werkelijke schade van 12 augustus 2025 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond?
3. De beroepen zijn ontvankelijk en kennelijk gegrond. Hierna zal de rechtbank uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
3.1.
De rechtbank overweegt dat de beslissing van 12 augustus 2025 is gericht aan eiser en eiseres, waarin is beslist dat zij samen recht hebben op een aanvullende schadevergoeding van € 20.207,-. De rechtbank maakt uit de stukken op dat (de toenmalige gemachtigde van) eiser en eiseres samen het bezwaarschrift van 26 augustus 2025 hebben ingediend. In dit geval geldt de volgende beslistermijn. [2] Verweerder moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf zes weken na de dag van verzending van het besluit
.
3.2.
Op het moment dat verweerder gebruik maakt van de adviescommissie, geldt een termijn van twaalf weken. Uit de processtukken en het verweerschrift wordt niet duidelijk of gebruik wordt gemaakt van de adviescommissie. De rechtbank zal daarom uitgaan van een beslistermijn van zes weken.
3.3.
Verweerder heeft de beslistermijn verlengd met zes weken. Verweerder had na deze verlenging dus in beginsel uiterlijk op 16 december 2025 moeten beslissen. Verweerder heeft echter de beslistermijn ook nog tweemaal met vier weken opgeschort. [3] Dit heeft verweerder met de (aan de toenmalige gemachtigde van eisers gerichte) e-mailberichten van 19 november 2025 en 17 december 2025 gedaan. Verweerder had dus in ieder geval uiterlijk op 10 februari 2026 moeten beslissen.
3.4.
De door eisers ingediende ingebrekestellingen, gedateerd op 28 november 2025, waren daarom te vroeg ingediend. Op dat moment was de beslistermijn nog niet verstreken. Verweerder heeft vervolgens de ingebrekestelling van eiser (kennelijk mede namens eiseres gelet op voornoemde besluitvorming en het gezamenlijk ingediende bezwaarschrift), gedateerd op 17 januari 2026, ontvangen op 20 februari 2026. Eisers zijn daarmee te vroeg in beroep gegaan. De termijn waarbinnen verweerder na ingebrekestelling moest beslissen, was namelijk nog niet voorbij toen eisers (ieder afzonderlijk) beroep indienden. De hoofdregel is dan dat het beroep niet-ontvankelijk is. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk kan beoordelen. In dit geval vindt de rechtbank dat het beroep tóch ontvankelijk is, omdat de termijn inmiddels wel is verstreken en verweerder nog steeds geen besluit heeft genomen. Ook zijn meer dan twee weken voorbijgegaan sinds verweerder de ingebrekestelling heeft ontvangen.
Welke beslistermijn wordt aan verweerder opgelegd?
4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.1.
In het verweerschrift verzoekt verweerder om bij het bepalen van de beslistermijn aan te sluiten bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 maart 2025. [4]
4.2.
De Afdeling heeft in de uitspraak van 26 maart 2025 een lijn uitgezet die geldt voor alle beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar door verweerder in het kader van de Wht. De rechtbank zal aansluiten bij die lijn. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze lijn naar de inhoud van die uitspraak. De nieuwe lijn komt erop neer dat in dergelijke beroepen voortaan een nadere beslistermijn wordt opgelegd van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op het bezwaar. Dit geldt ook in herhaalde beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar. Wanneer de termijn van 60 weken op het moment van verzending van de uitspraak over het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, dan sluit de rechtbank aan bij het wettelijke uitgangspunt. In dat geval geldt een nadere beslistermijn van twee weken na verzending van de uitspraak. Dit laatste is slechts anders als verweerder (in het verweerschrift) een zeer goede reden geeft en onderbouwt waarom een termijn van twee weken wegens bijzondere omstandigheden niet passend is.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn op 10 februari 2026 is verstreken. Dit betekent dat verweerder uiterlijk 6 april 2027 alsnog een besluit op het bezwaar van eisers bekend moet maken. Er is geen aanleiding om in dit individuele geval een andere beslistermijn te bepalen.
Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- aan eisers gezamenlijk moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. [5]

Conclusie en gevolgen

6. De beroepen zijn kennelijk gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen, verweerder de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6.1.
Omdat de beroepen gegrond zijn, moet verweerder het griffierecht (tweemaal € 54,-) aan eisers vergoeden. Eisers hebben geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt verweerder op uiterlijk op 6 april 2027 alsnog een besluit op bezwaar aan eisers bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee verweerder de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 108,- aan eisers moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van
I. Ambachtsheer, griffier, op 17 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Dit staat in artikel 7:10 van Pro de Awb, en in geval van besluiten op of na 14 december 2024 in artikel 6:10aa van de Wet hersteloperatie toeslagen, en artikel 7:13 van Pro de Awb.
3.Dit kan op grond van artikel 7:10, tweede lid, van de Awb, in samenhang met artikel 6:6, sub a, van de Awb.
5.Conform de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301