De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie en omgangsregeling tussen een vrouw en een man die samen een minderjarige hebben, zonder dat zij een relatie hadden of samenwoonden.
Partijen hadden in juni 2024 een alimentatieovereenkomst gesloten zonder juridische bijstand en zonder rekening te houden met wettelijke maatstaven. De man betaalde aanvankelijk drie maanden, maar stopte daarna. De rechtbank stelde vast dat er wel degelijk een bindende overeenkomst was en dat de man gehouden is tot betaling.
Gezien de niet-naleving van wettelijke maatstaven bij de overeenkomst, werd een herberekening gemaakt op basis van de inkomens van partijen in 2024, waarbij de behoefte van het kind en de draagkracht van de ouders werden vastgesteld. De rechtbank bepaalde een aangepaste bijdrage van €315 per maand met indexering per 2025 en 2026.
De omgangsregeling werd aangehouden in afwachting van een hulpverleningstraject (UHA) dat partijen moeten doorlopen om de voorwaarden voor omgang te creëren. De voorlopige omgangsregeling blijft van kracht totdat het traject is afgerond.
De rechtbank wees het meer of anders verzochte af en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.