Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3210

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
C/02/445650 / FA RK 26-1136
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Gremmen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 lid 5 Wzd
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechterlijke machtiging tot opname en verblijf wegens psychogeriatrische aandoening

Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verzocht de rechtbank om een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf van betrokkene, geboren in 1938, voor de duur van zes maanden. Betrokkene verzette zich tegen het verzoek en wilde terug naar huis, terwijl de verpleegkundigen en verpleegkundig specialist stelden dat opname noodzakelijk is vanwege ernstige verwaarlozing en gevaar.

Tijdens de zitting op 20 maart 2026 werden betrokkene, haar advocaat en zorgprofessionals gehoord. Uit de stukken en verklaringen bleek dat betrokkene lijdt aan Alzheimer dementie, wat leidt tot ernstig nadeel zoals verwaarlozing, maatschappelijke teloorgang en gevaar voor veiligheid. De thuissituatie was onhoudbaar door structurele zelfverwaarlozing en dwalen.

De rechtbank oordeelde dat opname en verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om het ernstig nadeel te voorkomen, ondanks het verzet van betrokkene. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven. De machtiging wordt toegekend voor zes maanden, met terugwerkende kracht vanaf het verlopen van de vorige machtiging op 4 maart 2026, ondanks dat het verzoek een dag later werd ingediend.

De rechtbank verbindt geen consequenties aan de termijnoverschrijding en kwalificeert de machtiging als opvolgend. De beschikking is op 20 maart 2026 mondeling gegeven en op 30 maart 2026 schriftelijk vastgesteld. Tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: De rechtbank verleent een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf voor zes maanden, met terugwerkende kracht vanaf 4 maart 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445650 / FA RK 26-1136
Datum uitspraak: 20 maart 2026
Beschikking rechterlijke machtiging
op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1938 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen betrokkene,
wonend in [plaats] ,
advocaat mr. F.J. Koningsveld uit Breda.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 5 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 maart 2026. Daarbij zijn gehoord:
  • betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
  • mevrouw [naam 1] , verpleegkundige;
  • de heer [naam 2] , verpleegkundig specialist;
  • mevrouw [naam 3] , kwaliteitsverpleegkundige.

2.Het verzoek

2.1.
Het CIZ verzoekt de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf te verlenen voor de duur van zes maanden.

3.De standpunten

3.1.
Betrokkene zegt dat ze lang genoeg opgenomen is geweest. Ze wil niet langer blijven en zou ook niet weten waarom. Betrokkene verlangt naar haar eigen huis. Betrokkene herkent zich niet in het beeld wat de verpleegkundigen schetsen.
3.2.
De verpleegkundig specialist zegt dat het sinds dat betrokkene is opgenomen heel goed met haar gaat. Betrokkene eet en slaapt goed en heeft leuke interactie met haar medebewoners. Betrokkene doet mee aan activiteiten en maakt wandelingen, daar geniet ze van. De verpleegkundig specialist zegt dat het thuis niet meer goed ging. Betrokkene is meermaals van straat gehaald omdat ze aan het dwalen was. Daarnaast was er in de thuissituatie sprake van onvoldoende zelfzorg en at en dronk betrokkene niet voldoende. De verpleegkundig specialist zegt dat er sprake is van verzet tegen de lichamelijke verzorging en dat betrokkene dagelijks zegt dat ze naar huis gaat en haar koffers pakt. Betrokkene kan niet meer terug naar thuis. Dat zou onverantwoord zijn.
3.3.
De verpleegkundige zegt dat eten en drinken goed gaat, vooral als het al klaar staat en betrokkene in groepsverband kan eten. Afgelopen week heeft de verpleegkundige betrokkene voor het eerst sinds de opname in oktober onder de douche kunnen zetten. Voorheen weigerde ze dit. Betrokkene zegt dat ze zichzelf wast, maar de verpleegkundige twijfelt daaraan. Betrokkene zal waarschijnlijk niet zelfstandig naar buiten gaan, omdat betrokkene mogelijk bang is om de weg kwijt te raken. Ten slotte geeft de verpleegkundige desgevraagd aan dat bewindvoering inmiddels is geregeld, maar dat het aanvragen van mentorschap erg moeizaam verloopt. Ze hoopt dat dit snel geregeld wordt, omdat ze hierdoor tegen problemen aanlopen
3.4.
De kwaliteitsverpleegkundige bevestigt hetgeen wat door de verpleegkundige en verpleegkundig specialist naar voren is gebracht. Ze voegt hier nog aan toe dat betrokkene dwaaldetectie draagt, waardoor de deur niet open kan.
3.5.
De advocaat zegt dat betrokkene heel duidelijk aangeeft dat ze niet wil blijven. Dit is volgens de advocaat goed te begrijpen vanuit het perspectief van betrokkene. Anderzijds ziet de advocaat geen grote veranderingen ten opzichte van een paar maanden geleden, het moment dat er een rechterlijke machtiging is afgegeven. De advocaat ziet geen hobbels voor het toewijzen van een rechterlijke machtiging; aan alle voorwaarden is voldaan. Namens betrokkene verzoekt de advocaat om afwijzing van het verzoek.

4.De beoordeling

4.1.
De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van zes maanden. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
4.2.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychogeriatrische aandoening. Betrokkene heeft namelijk Alzheimer dementie.
4.3.
Het gedrag dat voortvloeit uit deze aandoening leidt tot ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit:
- ernstige verwaarlozing;
- maatschappelijke teloorgang;
- gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen.
De rechtbank neemt hierbij onder andere in aanmerking dat er in de thuissituatie sprake was van structurele zelfverwaarlozing. Betrokkene vergat te eten en te drinken en deed geen of onvolledige boodschappen. Ze kon deze vaak niet betalen doordat zij haar pinpas kwijt was of haar pincode vergeten was. Betrokkene at dan soms meerdere dagen alleen maar crackers. Aangeboden maaltijden werden regelmatig niet opgegeten. Zowel politie als praktijkondersteuner troffen regelmatig haar koelkast leeg aan. Betrokkene moest vragen om eten en drinken, omdat ze dit zelf niet meer kon organiseren.
Daarnaast werd betrokkene in de weken voorafgaand aan de opname meerdere malen verward aangetroffen op straat. Verder belde betrokkene onterecht en vaak 112, waardoor hulpdiensten onnodig werden ingezet.
4.4.
De opname en het verblijf zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Betrokkene verzet zich hiertegen. Betrokkene is opgenomen en vertoont op de afdeling vrijwel dagelijks verzet tegen het verblijf, zowel verbaal als fysiek. Betrokkene uit meerdere keren per dag dat ze naar huis gaat. Ook pakt betrokkene meerdere keren per week zelfstandig haar koffer in of is op zoek naar haar tas.
4.5.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. Betrokkene heeft 24-uurs zorg nodig en woont nu op een passende plek waar ze alle benodigde zorg krijgt. Zonder deze passende plek bestaat een reëel risico op herhaling van ernstig nadeel in de thuissituatie. Betrokkene kan niet voor zichzelf zorgen, raakt haar spullen kwijt en kan zich niet veilig buitenshuis verplaatsen.
Duur van de machtiging
4.6.
De rechtbank heeft geconstateerd dat de rechterlijke machtiging van betrokkene afliep op 4 maart 2026 en dat het verzoek is ingediend op 5 maart 2026, zijnde één dag na de expiratiedatum. Het CIZ geeft in zijn verzoekschrift aan dat het verzoek geldt als een eerste rechterlijke machtiging en daarom wordt een machtiging verzocht voor de duur van zes maanden.
4.7.
In artikel 39 lid 5 Wzd Pro is opgenomen dat de rechter een opvolgende rechterlijke machtiging kan verlenen voor een betrokkene die al op grond van een rechterlijke machtiging in een accommodatie verblijft. Dit is bij betrokkene het geval.
4.8.
Aan voormelde termijnoverschrijding verbindt de rechtbank evenwel geen consequenties, in die zin dat zij de machtiging niet zal aanmerken als een eerste rechterlijke machtiging, maar een opvolgende machtiging. Dit gezien het ernstig nadeel, de zorggeschiedenis van betrokkene en het belang dat betrokkene heeft bij een opvolgende machtiging. De rechtbank wijst hierbij kortheidshalve op de uitspraak van de Hoge Raad van 12 februari 2021 (ECLI:NL:HR:2021:227).
4.9.
In voormeld arrest van de Hoge Raad is ook benoemd dat de rechtbank de rechterlijke machtiging moet verlenen, gerekend vanaf de datum waarop de voorgaande machtiging verstreek. De rechtbank zal hiermee rekening houden. Dit betekent dat de machtiging wordt verleend voor de duur van zes maanden, gerekend vanaf 4 maart 2026. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verleent een machtiging tot opname en verblijf voor [betrokkene] , geboren op [geboortedag] 1938 in [geboorteplaats] ;
5.2.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 4 september 2026;
5.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026 door mr Gremmen, rechter, in aanwezigheid van Van Ginneken, griffier en op schrift gesteld op 30 maart 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.