Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van de procedure
- betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
- mevrouw [naam 1] , verpleegkundige;
- de heer [naam 2] , verpleegkundig specialist;
- mevrouw [naam 3] , kwaliteitsverpleegkundige.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verzocht de rechtbank om een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf van betrokkene, geboren in 1938, voor de duur van zes maanden. Betrokkene verzette zich tegen het verzoek en wilde terug naar huis, terwijl de verpleegkundigen en verpleegkundig specialist stelden dat opname noodzakelijk is vanwege ernstige verwaarlozing en gevaar.
Tijdens de zitting op 20 maart 2026 werden betrokkene, haar advocaat en zorgprofessionals gehoord. Uit de stukken en verklaringen bleek dat betrokkene lijdt aan Alzheimer dementie, wat leidt tot ernstig nadeel zoals verwaarlozing, maatschappelijke teloorgang en gevaar voor veiligheid. De thuissituatie was onhoudbaar door structurele zelfverwaarlozing en dwalen.
De rechtbank oordeelde dat opname en verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om het ernstig nadeel te voorkomen, ondanks het verzet van betrokkene. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven. De machtiging wordt toegekend voor zes maanden, met terugwerkende kracht vanaf het verlopen van de vorige machtiging op 4 maart 2026, ondanks dat het verzoek een dag later werd ingediend.
De rechtbank verbindt geen consequenties aan de termijnoverschrijding en kwalificeert de machtiging als opvolgend. De beschikking is op 20 maart 2026 mondeling gegeven en op 30 maart 2026 schriftelijk vastgesteld. Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: De rechtbank verleent een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf voor zes maanden, met terugwerkende kracht vanaf 4 maart 2026.