Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het UWV omdat het UWV niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist op haar aanvraag tot herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid van een ex-werkneemster op grond van de WIA. De aanvraag werd op 5 juni 2025 ontvangen, maar het UWV heeft niet tijdig een besluit genomen.
De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden en dat eiseres het UWV op 6 november 2025 in gebreke heeft gesteld. Het beroep is daarom kennelijk gegrond. Het UWV gaf aan dat de overschrijding te wijten is aan een tekort aan verzekeringsartsen, waardoor het niet kon inschatten wanneer de beoordeling klaar zou zijn.
De rechtbank acht een termijn van vier maanden redelijk om alsnog een besluit te nemen, gezien het belang van zorgvuldige besluitvorming. Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor elke dag dat het UWV de termijn overschrijdt. De rechtbank stelt zich onbevoegd om het UWV te bevelen tot betaling van de bestuurlijke dwangsom en wijst eiseres op de mogelijkheid om dit via de burgerlijke rechter te vorderen.
Tot slot veroordeelt de rechtbank het UWV tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 17 april 2026.