Uitspraak
2.De feiten
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2024 in [plaats 2] , hierna te noemen:
3.De verzoeken
4.De beoordeling
Burgerlijke Rechtsvordering, art. 223 Rv Pro, aant. 5.) Bij de beoordeling van een vordering tot wijziging (of intrekking) van een eerder getroffen voorziening moet in beginsel worden uitgegaan van de gegeven voorlopige voorziening en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. Wie wijziging (of intrekking) vordert dient feiten en omstandigheden aan zijn vordering ten grondslag te leggen die bij de eerder gegeven voorlopige voorziening niet in aanmerking konden worden genomen – doordat zij zich eerst na het geven van die voorziening hebben voorgedaan – en die kunnen rechtvaardigen dat die voorziening wordt gewijzigd. (Vgl. in dit verband HR 30 mei 2008,
LJNBC5012,
NJ2008/311).
tot 19 mei 2026 pro forma, om partijen in de gelegenheid te stellen om bij de gemeente nadere informatie op te vragen. Partijen worden verzocht om bij de gemeente een schriftelijke rapportage op te vragen waarin onderbouwd wordt aangegeven wat er precies is gebeurd in het traject bij de [hulpverlening] en bij de totstandkoming van de rapportage van De [hulpverlening] en hoe de gemeente zelf tegen dit alles aankijkt. De voorzieningenrechter wil van de gemeente weten of het klopt dat er bij De [hulpverlening] sprake was van een probleem of niet. Daarnaast wil de voorzieningenrechter van de gemeente horen wat op dit moment de stand van zaken is met betrekking tot de huidige hulpverlening en of die hulpverlening vindt dat onbegeleide omgang tussen [minderjarige] en haar vader al kan plaatsvinden of dat deze contacten nog steeds begeleid moeten zijn.
5.De beslissing
19 mei 2026 pro forma, met het verzoek aan partijen om alsdan de rapportage van gemeente over te leggen en daarbij tevens hun nadere standpunt te geven;